relaxatie events linda bogaert

Ga met ons mee op reis in de woestijn! Een onschatbare"once in a lifetime ervaring"!!!

 

 

REIS NAAR ZUID AMERIKA

1.Nieuwsbrieven
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
  • 11
  • 12
  • 13
ALEGRIA (Levens-)Vreugde Op 7 februari laatst hebben we het besluit genomen. In oktober trekken we er op uit, voor een jaar. Bestemming Latijns Amerika. De titel van deze eerste nieuwsbrief wordt het leidmotief van onze reis. Alegria - Levensvreugde Voor Linda wordt het een jaar van herbronnen. Een jaar dingen herbekijken en een plaats te geven. Afstand doen van dat wat kan worden losgelaten en behouden wat waardevol is. Het patroon waar ze nu in leeft, is voor haar niet verder bruikbaar en haar levenskaart wil ze opnieuw uittekenen. Het zal niet zonder slag of stoot gaan. Zelfs nu vóór het vertrek zijn er al moeilijke momenten, vooral wanneer ze zich realiseert dat ze alle zekerheden achterlaat en weet dat wanneer ze terugkomt, ze van nul zal moeten beginnen. Omtrent de eigenheden van een Tweeling-vrouw, staat het volgende geschreven in het boekje“ de Sterren Spreken” van Herbert Lohlen: “met deze Eva moet u reizen, autorijden en vliegen” en dat klinkt alleszins hoopgevend, ware het niet dat er verder in de tekst staat “ze is even opwindend als een voetzoeker, en zelfs haar partner kan niet altijd voorspellen waar ze het volgend ogenblik weer heen zal springen.” Voor Aimé is het begin van de reis alleszins minder ingrijpend. Hij neemt loopbaanonderbreking voor een jaar, dus wat hij achterlaat vindt hij later hoogstwaarschijnlijk terug. Het nemen van rare, niet voor de hand liggende beslissingen, is hem niet vreemd. Het onvoorspelbare van de Waterman heeft hier zeker deel aan. “een rebel die een vrij jachtgebied nodig heeft” zegt datzelfde boekje. Dat jagen kan je nú wel met en korreltje zout nemen. Hij is immers nog zijn wonden aan het likken van de laatste jachtpartij, waar de prooi behoorlijk tegenspartelde en inderdaad even opwindend was als een voetzoeker…Het rebelse van een vrijbuiter heeft hij echter steeds in zijn bloed gehad en vandaar ook zijn neiging tot het kijken naar daar waar het gras groener is. Latijns Amerika wordt het dus. Guatemala, Honduras, Mexico, Costa Rica, El Salvador, Nicaragua, staan op de verlanglijst van de landen die we in Centraal Amerika willen bezoeken. Ecuador, Peru, Bolivia en misschien Argentinië en Chili, worden de bestemmingen van Zuid Amerika. De bindende factor tussen al deze landen is de cultuur van de Azteken, de Maya’s en de Inca’s. Het Pad van Inwijding loopt hier door als een rode draad en het is onze bedoeling dit Pad voor een stuk mee te lopen, in de voetsporen van hen die het al sinds eeuwen vóór ons hebben gedaan. Het wordt low-budget. Wat we hebben kan net in onze rugzak en wat we teveel hebben kan niet mee. Ook een uitdaging! Verplaatsen doen we ons te voet en met openbaar vervoer. Buiten de transcontinentale oversteek natuurlijk. Overnachten doen we waar we een dak boven ons hoofd kunnen vinden en eten, ja…het lekkerste groeit daar aan de bomen. Dat deze visie een beetje simplistisch is realiseren we ons wel. We weten dat koken geld kost en reizen zeker. We hebben hiervoor een budget waarvan we normaal gesproken een jaar kunnen rondkomen, maar dat wil niet zeggen dat een extraatje niet welkom zou zijn. We willen immers ook tijdens onze reis nog graag de Galapagos eilanden bezoeken en de reis daarheen is peperduur. Bijkomend is er ook de vlucht van Costa Rica naar Ecuador die moet betaald worden. We willen immers landen als Panama en Columbia mijden wegens veiligheidsrisico’s. Vandaar dat wij teneinde onze kas en uw maag te spijzen, u graag willen uitnodigen op een “BENEFIET-BARBECUE” OP ZATERDAG 28 AUGUSTUS 2004 Vanaf 16 u. Plaats: Ontmoetingscentrum Sint Elooistraat 23 8210 ZEDELGEM Voor de prijs van 15 Euro, bieden wij u een barbecue met alles er op en er aan, t.t.z. 1 kippenbil, brochette en worst en 1 portie vis, verder: rauwkost, slaatjes, sausen, aardappelen en brood. Bovenop nog een glas wijn (of Sangria), bier of frisdrank. ’s Avonds wordt er gedanst op de ritmes van zwoele Latijns-Amerikaanse muziek. Tijdens het hele gebeuren bent u in de gelegenheid om doorlopend deel te nemen aan onze tombola, waarbij we U kunnen garanderen dat u altijd in de prijzen zal vallen. Deelname aan de barbecue kan mits voorafgaande inschrijving (vóór 15 augustus) op het rek.nr. 979-6153767-92 van Aimé De Jonghe-Linda Bogaert 8310 Assebroek (teneinde deze dag vlekkeloos te doen verlopen hebben we wat helpende handen nodig. Daarom een oproep tot enkele vrijwilligers die hun bijdrage willen leveren met: het klaarzetten, inrichten en opruimen van de zaal en de keuken – de tap– de afwas – het helpen bij het buffet – het afruimen van de tafels e.d.) Bovenaan deze brief stond het al, nl. onze eerste nieuwsbrief. Inderdaad zullen er nog volgen, zij het niet in deze vorm. Gratis voor niks, bieden wij u ons reisverhaal aan dat u zult kunnen volgen via onze website. Deze is echter nog volledig in opbouw, zodanig dat wij u nog geen naam van onze webstek kunnen mededelen. We zorgen er voor dat tegen de Benefiet- barbecue van 28 augustus dit allemaal in orde is. In ons reisverhaal zal u er getuige van zijn, van hoe het allemaal begon en wat er aan vooraf ging. Tevens zult u, wanneer we ook maar in de mogelijkheid zijn om via het internet ons verhaal door te sturen, van de recentste gebeurtenissen op de hoogte worden gehouden en onze escapades uit eerste hand kunnen volgen. (wie weet wordt het wel een sprookje…?) Vrienden en sympathisanten die geen internetaansluiting hebben, maar toch van onze reis op de hoogte willen blijven, vragen we wel een bijdrage aangezien we dan onze verslagen via de gewone post moeten opsturen. Deze bijdrage kan gestort worden via bovenvermeld rekeningnummer. Aangezien deze nieuwsbrieven dan zullen verstuurd worden via een centraal adres in België, willen we hiervoor een bedrag vragen van 10 €. Dit bedrag dient dan zuiver om de kopij- en portkosten te kunnen betalen. Zo, onze eerste nieuwsbrief is een feit. Wellicht was u al van onze plannen op de hoogte, maar hebben we nu toch een ietsje meer van de sluier opgelicht, en voor diegenen die nog van niets wisten…voila. Het zou fijn zijn mochten we je ontmoeten op onze barbecue, of daarna op de fuif. Hasta la vista, Linda en Aimé
Zaterdag 19 juni 2004 De kogel is door de kerk… Onze tickets zijn besteld en een flink deel van ons budget werd besteed om de Spaanse nationale luchtvaartmaatschappij in de lucht te houden, en dan nog het liefst tijdens de dertien uren dat wij ons aan boord bevinden van hun Boeing 747. Iberia brengt ons van Brussel via Madrid en Miami naar Guatemala. De vertrekdatum…een verhaal apart. Ikzelf gaf de voorkeur om te vertrekken zonder al te veel wind te maken, dus ergens op een weekdag wanneer toch iedereen moet werken. Afscheid nemen van de naaste omgeving, die ons een jaar zal moeten missen, kon in de daaraan voorafgaande dagen. Linda was voorstander van de “ceremonie protocollaire”. Het zou een zaterdag of een zondag worden, zodat al wie ons liefheeft (en ze gaat er van uit dat het er velen zijn) ons zakdoekzwaaiend en tranenplengend, kon uitwuiven aan het station van Brugge. In gedachten zag zij het stationsplein al vol staan met ouders, kinderen en kleinkinderen, ex-lieven, vrienden en vriendinnen en allen die ons dierbaar zijn. Hoewel ik deze overdreven belangstelling maar niets vond, gaf ik toch blijk van mijn sterk ontwikkeld aanpassingsvermogen en verklaarde me akkoord met deze vorm van plechtige uitvaart. We hielden echter geen rekening met het Lot, dat zoals velen onder u wel weten, rare sprongen kan maken. Alle vluchten naar Guatemala, tijdens de week, vertrekken om 14 u. vanuit Brussel. Tijdens het weekend gaan deze om 8.10 u, wat wil zeggen dat we om 6 u. op de luchthaven moeten staan. Daar ging Linda’s droom, want ze realiseerde zich ook wel dat, niettegenstaande haar hoog populariteitsgehalte, ze niemand zo ver zou krijgen om op zondag 10 oktober 2004 om 6 u. s’ochtends zakdoekzwaaiend op Brussel Nationaal te staan. Het wordt dus een vertrek met stille trom. We voorzien wel dat er ons nog een laatste eer kan worden bewezen op de dag voorafgaand aan ons vertrek. Hoe we dat gaan doen…wel, er volgen nog wel nieuwsbrieven. Intussen zit ook mijn snelcursus “español para viajes” er op. Spaans is een heel mooie taal, maar op acht lessen neem je niet echt veel mee naar huis, laat staan naar Latijns America. Werkwoorden en hun vervoegingen waren (en zijn) voor mij zware kost en tijdens de lessen “conversación”, moest ik dikwijls aankijken tegen de gefronste wenkbrauwen van lerares Cecilia, die spijts alles toch het nodige geduld kon opbrengen om mijn Spaans te begrijpen. Want daar zat het grote probleem, mijn Spaans was het hare niet en nu weet ik dat dat voor verwarring kan zorgen. Dus zal ik genoodzaakt zijn om de “Toro” bij de horens te vatten en Spaanse werkwoorden gaan vervoegen. Hoe dat zal verder gaan, lees je in de volgende nieuwsbrief… ALEGRIA! Aimé (p.s. vergeet 28 augustus 2004 niet in je agenda te schrijven hé! BBQ!) terug
Woensdag 23 juni 2004! 05.11 u….ik hoor aan mijn linkerkant een poes spinnen…ik steek mijn hand uit, maar voel niets. Ik probeer mijn ogen open te krijgen, wat op dat ochtendlijke uur voor mij niet evident is. Wanneer mij dat toch lukt, zie ik tot mijn grote verbazing, Luna zitten. Oei ! Waar is Bles ? Ondertussen is ook Aimé wakker. Hij is niet altijd zo gelukkig met al die nachtelijke poezenescapades. Ik hoor een diepe zucht aan de andere kant van het bed en hij zegt “ Pipo (voor Aimé is Luna een Pipokat) ligt hier al een hele tijd”. Van Bles geen spoor. Ik denk “arme Bles…” nu wordt ze ook al in bed, de enige plaats waar ze zich veilig voelt weggejaagd ! Sinds een achttal weken moet ze plaats ruimen voor Kira, Minea en Margootje…de poezendochters van Luna waar ze als “tante” absoluut geen vriendschap mee wil sluiten. Ze vindt die kleine mormels maar in de weg lopen en gaat ze dan ook letterlijk uit de weg. Ze weigert nog in huis te komen en eist haar dagelijkse menu op, op de tafel in de tuin. Ik bedien haar dan maar op haar wenken, om haar gevoelens (volgens Aimé is dat mijn sentiment, aangezien katten geen emoties hebben) nog niet meer te kwetsen, waar ze mij toch wel heel dankbaar voor is ! ’s Nachts wanneer iedereen slaapt, sluip ik naar buiten om haar uit haar tijdelijke verblijfplaats ( de tuinstoelen in het berghok) als een baby’tje op mijn arm in huis te nemen. In het donker breng ik haar naar boven, want wanneer ze die “indringers” ziet komt haar overlevingsinstinct boven en gromt ze als een echte leeuwin. Dit is echter maar “show” want éénmaal boven, komt ze zich direct tegen mij aanvleien en valt dan soezend in mijn armen in slaap…. Voor beiden is dit het ultieme geluk….Zo begon onze liefdesrelatie twee jaar geleden. In die twee jaar heeft ze heel wat moeten doorstaan. Eerst was er de verhuis van haar Zeven Torentuin naar de Meersenfarm en kort daarop vertrok ik naar Egypte. Nadien moest ze het bed delen met die “grote beer” die voor haar een eigen bed maakte. Eigenzinnig als ze is heeft ze hem vriendelijk bedankt en blijft gewoon haar plaats opeisen. “Grote beer” heeft zich intussen bij de situatie neergelegd. Was zij ook niet eerst….? Daarna verloor ze haar beste vriend Simba. Ze kreeg Luna in de plaats, maar die kon nog steeds Simba niet vervangen. Waarschijnlijk deelt ze de mening van Aimé dat ze maar een “pipokat” is, die zich nog heeft vermenigvuldigd ook. Op 10 oktober staat mijn Blesje er alleen voor….ik mag er niet aan denken….gelukkig neemt Lieselot, de buurvrouw met een even groot kattenhart als het mijne, het roer hier over. Plots hoor ik gegrom achter het bed. Het is ondertussen 05.45 u, het uur dat Aimé gewoonlijk opstaat. Alweer heeft hij aan nachtelijke rust moeten inboeten voor mijn kattenperikelen. Ik besluit dan maar met hem op te staan om hem een hart onder de riem te steken en dit verhaal is het gevolg van mijn vroege opstaan….. hasta la vista Linda
25 juni 2OO4 De voorbereidingen gaan voort. Het huisje in de Meersenstraat krijgt voor een tijdje nieuwe bewoners. Lieselot, Piet en de kleine Zarah. We geloofden er in dat de juiste mensen, op het juiste moment zouden opdagen. Blijkbaar was het juiste moment daar. Hallo, ik ben Piet zei hij. Enkele ogenblikken daarvoor had hij ten overvloede de huisbel geluid, om zijn naderende aanwezigheid kenbaar te maken. Of “we” een keertje naar het huzzetje mochten komen kijken. Het was inderdaad “we”, want toen Piet’s lijf uit het deurgat was verdwenen, nadat ik hem had binnengelaten, zag ik dat Lieselot en Zarah er ook bij waren. Ik had deze mensen voorheen nog nooit ontmoet en na me te hebben voorgesteld als “Aimé, de vriend van Linda”, kreeg ik te horen dat ze buren waren die enkele huizen verder woonden. Ze hadden vernomen dat het huisje voor een jaar te huur zou komen en ze hadden plannen… Ik werd stil. Alles viel in zijn plooi. Piet echter, bleef niet stil. Hij vertelde dat ze hun huisje gingen verbouwen. Zowel hij als Lieselot, voelden de onweerstaanbare drang tot gezinsuitbreiding, met als gevolg dat hun peperkoekenhuisje spoedig te klein zou worden. Tijdens de verbouwing was er echter nood aan een ander dak boven het hoofd en wat kan men zich nog meer wensen dan een dak dat enkele tientallen meters verder in de straat staat. Linda speelde gids en prees haar stek de hemel in en na korte tijd werd het duidelijk dat de drie buren de nieuwe hemelbewoners zouden worden. Intussen ontdekten we in Lieselot de vrouw met het ware kattenhart . Zelf was ze trotse eigenares van een stel weldoorvoede katten en het koesteren, knuffelen en verzorgen van Bles en Pipo, zou geen enkel probleem vormen. In de ogen van Linda kon Lieselot nooit meer iets verkeerds doen. De enige hindernis die nog moest worden genomen, was Wilfried. Voor de niet-ingewijden, de huisbaas van Linda. Aan hem was tot dan toe alles voorbijgegaan en dus was het zaak hem op de hoogte te brengen dat zijn huurster een jaar Spaans ging klappen in Latijns Amerika. Linda zou hem de blijde boodschap brengen op een zondagmorgen, op het moment dat ze de huuspacht (alweer voor de niet-ingewijden, de huishuur) ging betalen. Volgens Linda, hét ideale moment voor het brengen van blijde boodschappen. Drie kwartier later was ze weer. Het ei waarmee ze was vertrokken, voelde heel wat lichter. Wilfried had geen problemen gemaakt. Zolang er geen oponthoud kwam in de maandelijkse toestroom van de huuspacht, mocht Linda zelfs, indien ze dat wenste, gaan kamperen op de Noordpool. Resultaat…ook deze nieuwsbrief kunnen we alweer beïndigen met een happy-end. Linda is tevreden dat er voor haar huis en haar poezen wordt gezorgd. Lieselot en Piet kunnen gaan verbouwen. Zarah kan zich verheugen op broertjes en zusjes en Wilfried weet zich verzekerd van de verdere betaling van zijn huuspacht . En ik…ik sta versteld hoe eenvoudig het leven er in het Brugse kan aan toegaan. Tot de volgende nieuwsbrief. ALEGRIA ! Aimé
Zaterdag 3 juli 2004 Truien, houthakkershemden, mutsen, handschoenen, ribfluwelen broeken, dikke kousen…alles werd op de zolder van de schabben gehaald en in een valies opgeborgen. In oktober 2005 zullen zij terug het daglicht zien wanneer ik, het Belgische kikkerklimaat niet meer gewend, op zoek ga naar wat wolligs om mijn door de zon verwende bast te verwarmen. Nu gaat al dat wintergoed ergens een berging in, vergezeld van dozen met boeken, bestek en huisraad. Morgenvroeg vertrekken Linda en ik met een volgeladen Kangoo met lege dozen, richting Kapellen. De verpakking waar ooit de familie Chiquita haar bananen mee op de boot zette, zal worden opgevuld met al wat zich nog in mijn stek bevindt. Meersendaal in Assebroek wordt te klein! Doch, zoals velen echter weten kan ik steeds bij mijn broodheer - De Kringwinkel Antwerpen - terecht om aldaar mijn teveel aan bezit achter te laten. Met graagte neemt hij het in ontvangst, verkoopt het en betaalt er mijn loon van…Terwijl ik dit schrijf, vraag ik me af of dit wel logisch is, want wat ik nu bij hem achterlaat, heb ik ooit bij hem gekocht! Dolle pret vanmiddag op de zolder! De slaapzakken die we ons verleden week (in aanbieding) hadden aangeschaft bij A.S.- Adventure, hebben we vanmiddag uitgetest. Van de twee mummie slaapzakken, kon één grote worden gemaakt, met als extra een aparte voetenberging voor ieder van de gebruikers. De verkoper verzekerde ons bij aankoop dat het echter niets zou uitmaken wanneer de voeten een keertje zouden buurten in de berging van de bijslaper. In hoeverre de bewering van de verkoper klopte, zouden we nu aan de lijve ondervinden. Aanvankelijk was het klooien met de ritssluitingen. Toen ik het sluitsysteem uiteindelijk door had, was Linda nog steeds aan het worstelen met haar toekomstig nachtverblijf in een poging om het aan het mijne aan te rijgen. Toen ze begon te dreigen dat ik alleen voor een jaar op reis kon, vond ik het moment gekomen om een helpende hand te bieden. Twee minuten later lagen we in de duo-slaapzak te lachen en elkaar aan te kijken als twee welpen die voor de eerste maal op kamp mochten. De bewering van de verkoper klopte. Voeten konden in dit model van slaapzak bij elkaar op bezoek. Nadien werden de meest gebruikelijke slaaphoudingen uitgetest. Op de rug, met de gezichten naar elkaar toe, achterwerk tegen achterwerk, als lepeltjes, enz…Geen van deze houdingen zorgde voor problemen. Minder conventionele houdingen werden, gezien het tijdsbestek, niet uitgeprobeerd en zouden volledig buiten de context van deze nieuwsbrieven liggen. Om kwart voor vijf draaide in Brugge de nieuwste Harry Potter. We wilden deze gaan kijken. De slaapzakexperimenten hadden ons tijdschema volledig overhoop gehaald. We troostten ons echter met de gedachte dat wanneer men een gans jaar elke nacht in dezelfde slaapzak moet doorbrengen, deze minstens de mogelijkheid moet hebben om bij elkaars voeten op bezoek te gaan en afhankelijk van de gemoedsgesteldheid, elkaar aan te kijken met aangezicht of achterwerk… Tot de volgende! ALEGRIA Aimé
Woensdag 7 juli 2004 (21u) Ook het poezenverhaal gaat verder…. Bles zit op de schoenenkast te blazen naar Margootje, die onder het wakende oog van Luna al haar kunstjes uitprobeert om Bles op vriendelijker gedachten te brengen. Het mag echter niet baten. Het gaat nog steeds niet goed met onze kattenpopulatie. Aimé zit achter mij te tokkelen op zijn laptop. Waarschijnlijk is hij al nieuwsbrief 7 aan het schrijven, maar ik wil jullie “het nieuws” van dit moment niet onthouden…. Tja, Margootje, een verhaal apart… Een poezengezin brengt steeds verrassingen met zich mee en ook in dit verhaal is het niet anders… Toen we zondagavond met pak en zak thuis kwamen uit Kapellen, lazen we een mailtje van onze goede vriend Serge, die verleden week Kira en Minea geadopteerd had. Hij was als trotse vader van zijn twee poezendochters bij Lieve, onze dierenarts langs geweest. Tot onze grote verbazing lazen we dat hij na de consultatie buitenging met twee poezenzonen. Kira en Minea werden katers! Serge kennende zullen zijn snorharen hoogstwaarschijnlijk aan de bovenkant van zijn neus gehangen hebben. Margootje, het kleine kattinnetje dat iedereen wil, maar niemand meeneemt begint het hier naar haar zin te hebben en ik probeerde Aimé te overtuigen dat “het lot” haar hier houdt. Onverbiddelijk is hij…enkel een kater mag blijven, er zijn al “woaven” (of zoiets) genoeg in “hoas” zegt hij. Terwijl we de blijde boodschap van Serge lezen, kijken we allebei naar Margot en denken hetzelfde…zou dat telepathie zijn ? Aimé besluit dan maar om Margot een grondig gynaecologisch onderzoek cadeau te doen, wat niet direct in dank aanvaardt wordt. Ziet hij daar niet iets dat lijkt op mannelijke kroonjuwelen ? Tja, Aimé… een verhaal apart…mijn geloof in zijn kennis van “woaven” krijgt een flinke deuk! Hij twijfelt…. Dan maar een afspraak gemaakt bij Lieve en gister kwam dan het verdict… Margot is ook een kater! Ik natuurlijk blij naar huis wetende dat “Margot” nu mag blijven. Aimé, beschaamd, maar ook blij dat de mannelijke gelederen versterkt zullen worden in huis. De rest van de avond werd gevuld met het zoeken naar een gepaste naam. Aimé vond Balthazar de meest geschikte. Ik daarentegen zag eerder een Achilles in Margot. We zijn onlangs Troy gaan zien en de spieren van Brad Pitt staan nog op mijn netvlies gebrand. Met deze naam kan ik onze nieuwe huisgenoot ook een beetje onsterfelijkheid meegeven. Wanneer Aimé om drie uur na een nachtelijk plasje weer in bed kruipt, zegt hij “we noemen hem Baziel”, de samentrekking van Balthazar en Achiel. Ik vind dat Margot beter verdiend en ik zeg “we noemen hem Bachilles”, klinkt “chic”, nietwaar? Weeral hebben we een kat met twee namen. Compromissen maken is duidelijk onze sterkste kant niet… …en zeggen dat we vanaf zaterdag “officieel” samenwonen. Tja, Linda en Aimé…ook een verhaal apart.. Beso de Linda " Margot, Baziel, Bachilles drie namen één energie.
11 juli ’04 Het huisje in de Akkerstraat 100 in Kapellen lag er al enkele maanden verlaten bij. Nu is het er kaal én verlaten. Zo goed als alle sporen van mijn aanwezigheid aldaar zijn verdwenen. Enkele aangebrande etensresten op het gasfornuis wijzen er op dat ik er ooit gekookt heb. En waar mijn bed stond vindt je nu de pluizen stof die voorheen aan de vraatzucht van de stofzuigermond zijn ontsnapt. De originele kleur van het behang is nu terug merkbaar op de plaatsen waar mijn kadertjes hingen. Op de vloer in de woonkamer vindt je nog een jas. Een jas die oorspronkelijk was bedoeld om een tweede leven te gaan lijden bij een klant van Spullenhulp, maar waar ik op de valreep toch nog geen afstand van kon doen. In de gang ben ik vergeten een lampje af te halen en mijn douchegordijn hangt er ook nog… In de keuken staat de ploeg klaar die mijn gewezen optrek als laatste gaat verlaten. Het cleaning-team, bestaande uit stofzuiger, dweil, trekker en schuurborstel wacht geduldig tot ik hen ter hand neem en de laatste tekenen van bewoning uitwis. Mr.Proper, die naar mijn voorbeeld ook zijn haar heeft laten afscheren, is hierbij de trouwe bondgenoot die morgen, samen met mij de klus gaat klaren. Het huisje heeft nu de holle leegheid, eigen aan onbewoonde gebouwen. Wanneer je er binnen gaat is het alsof elk geluid de heersende stilte aanrandt en als er nu een deur dichtvalt, dan schrik je. Zelfs de schakelaar in de gang geeft nu een heel ander geluid wanneer je het licht aanknipt en wanneer ik het WC doortrek, is het alsof ik naast de Niagara falls sta. Het lijkt wel of iets, of iemand anders in het huis zijn intrek heeft genomen. Ik voel me er alleszins niet meer welkom. Het verhuizen zelf, dat verliep zonder problemen. Ik ben wat dat betreft een ouwe rot aan het worden. Wanneer mijn geheugen me niet in de steek laat, ben ik nu aan adres 22! Misschien haal ik op die manier ooit wel eens het Guinnes Book of Records. Mijn zoon Wim, die mij op verhuisgebied steeds terzijde staat, houdt bij het opstellen van zijn jaarplanning sowieso rekening dat zijn vader in de loop van het jaar wel eens zou kunnen verhuizen. Mijn meubelen hebben voor hem dan ook geen enkel geheim meer. Hij kent het gewicht van de kasten, weet hoe rekken uit elkaar moeten en welke boeken waar horen in de doos. Alleen het adres blijft nog als element van verrassing! Het adres waar ik nu heen trok was voor hem echter niet onbekend. Hij wist dat ik Assebroek als pleisterplaats had gekozen en dat ik, alvorens met Linda naar Latijns Amerika te trekken, eerst nog enkele maanden met haar, bij wijze van proef zou gaan samenwonen. Intussen heeft, dat wat er nog rest van mijn bezit, stilaan zijn plaats gevonden in de Meersenstraat 64. De omwonenden in de buurt zijn maar al te blij dat er zich een Antwerpenaar is komen vestigen zodat er eindelijk ook hier eens nieuws doorsijpelt uit de wijde wereld. En Linda…die vindt mij nog steeds een “dikke nek” 12 juli 2004. Vandaag mocht ik hem afhalen op de bevolkingsdienst van Kapellen en hij kost 67 euro, mijn reispas. Mijn elektronische reispas. Op het eerste zicht niet anders dan de reispassen die mij in het verleden werden afgeleverd, maar blijkbaar gebeurt er met dit exemplaar van alles wanneer je hem onder een U.V.lamp houdt. Wat precies weet ik ook niet, maar in het stuk wereld waar Pipo Bush het bewind voert, is hij verplicht. Heb je hem niet, vlieg je letterlijk en figuurlijk terug. Hij laat mij dan ook toe om tussen te landen in Miami en aldaar (noodgedwongen) voet aan de grond te zetten tot onze vlieger technisch in orde wordt bevonden om verder te vliegen naar onze eerste bestemming, Guatemala. Mijn elektronische reispas wilde ik elektronisch betalen via Banksys. Spijts herhaald doorvoeren van het plastic kleinood, door de daartoe bestemde gleuf, lukte het niet…Of ik niet zó kon betalen; de bediende bedoelde in cash. Neen, dat kon ik niet, tenzij ik een heel eind wilde lopen tot de dichtstbijzijnde geldautomaat. Het spijt me mijnheer… Nu maar hopen dat het elektronische systeem in Miami wél werkt. Een andere reispas gaan halen in Kapellen lijkt me nogal ver… Tot de volgende, Aimé
Zaterdag 23 juli ’04 Om 15 u. hadden we afgesproken. Plaats van afspraak was de jachthaven achter het Klein Strand van Oostende. Tussen het bos van masten en het kluwen van kabels en touwen, zochten we naar de GENEPI… Februari 2004, een zaterdag. Plaats: het Brugse Belfort. Evenement: de Reismarkt. We waren daar om informatie te verzamelen. Het besluit om een jaar in Latijns Amerika rond te trekken was genomen, maar hoe we het zouden aanpakken en wat we zoal wilden gaan zien, was nog niet zo duidelijk. De Reismarkt, zo wist ik uit vorige bezoeken, was daar wel dé geschiktste plaats voor. Dat men er wereldreizigers kon ontmoeten wist ik ook, maar nooit had ik gedacht dat ik aan hun standjes in de rij zou staan om naar hun ervaringen en verhalen te luisteren. Een glanzende, kale haardos, een ernstige bril met zwart montuur, open blik en aangeboren glimlach. Dat is zowat het uithangbord van de man die samen met zijn partner een groot deel van Zuid Amerika afreisde. Deze spraakwaterval van reisverhalen, bruikbare informatie en nuttige tips, had zijn drukbezocht infostandje onder de imposante gewelven van het Belfort. Zijn naam, Freddy. Een dag later ontmoetten we er ook zijn partner en reisgezel, Inge. We kregen hun telefoonnummer en zij het onze en we spraken enige tijd later nog een keertje bij hen thuis af. Een etentje, bijpraten, en foto’s, véééél foto’s van hun reis. Zaterdag 23 juli. GENEPI gevonden, het zeiljacht van Inge en Freddy. Onder een stralende zon en een milde 3 Beaufort, tuften we de haven van Oostende uit. Op de pier, waar ik vroeger als kleine snotter aan de hand van mijn vader, met open mond stond te kijken naar de voorbijvarende ferry’s, daar vaarde ik nu zelf voorbij. Weliswaar met een schuit van kleiner kaliber, maar het had toch wel iets om door de “landrotten” op de pier te worden nagekeken. Eens de haven uit, werd de motor afgezet en het zeil gehesen. Op windkracht lieten we ons richting Middelkerke blazen. Even aanpassen was het wel, aan het deinen en dansen op de golven, maar de geelgroene gelaatskleur bleef uit en de tomaat-garnaal met frieten en mayonaise van ’s middags, bleef waar hij was, beneden. Toen we na ongeveer anderhalf uur rechtsomkeer maakten (ik bespaar u daarvoor gebruikte zeiltermen), hadden we de stroming mee. De deining was zo goed als verdwenen en ver van de lawaaierige drukte van de stranden dobberden we terug naar de haven van Oostende. Genieten was het! Buiten het lawaai dat we zelf maakten, was er enkel het geluid van de brekende golven en af en toe een meeuw die ons krijsend van bovenaf bekeek. Bij het binnenvaren stonden er alweer andere landrotten aan de leuning van de pier… Zaterdagavond, Assebroek. Met Inge en Freddy aan de tafel. Reizigers, zeilers, fijne mensen. Ook zij hebben een website. Hun verhaal en prachtige foto’s, de moeite… http://users.skynet.be/colours/ Tot de volgende! ALEGRIA Aimé
Zondag 24 juli 2004 18u30…. ik heb net gedemonstreerd aan Aimé hoe je op Dragostea din tei van O-Zone moet dansen en meezingen. Hij kijkt bedenkelijk, zowel wat betreft mijn dans als zangtalent… Hij staat aan het aanrecht, waar hij ons avondmaal aan het bereiden is. Onze “living” heeft door ons samenwonen een ware metamorfose ondergaan. Raar, er staan meer meubels in en toch lijkt het groter. De meubels passen “perfect” bij elkaar. Veertien dagen is het nu, net genoeg om ook bij mij een metamorfose vast te stellen…. Raar, waar ik zo bang voor was, is verdwenen als sneeuw voor de zon. De gedachte aan samenwonen benam me soms de adem. Nu ben ik fier op mijn “nieuwe” man in huis! Na zes jaar alleen geleefd te hebben besef ik nu nog maar dat met twee toch alles plezanter is. Op dit moment laat ik het ook merken. Ja, toen ik alleen leefde was er natuurlijk geen publiek aanwezig als ik mij “nen keer liet gaan” en dat uit zich bij mij in zingen en dansen. Maar dat is mijn Aiméke ondertussen al gewoon. Hoewel…. Terwijl hij voor mijn maagje aan het zorgen is, ben ik muziek aan het sprokkelen voor 28 augustus. We maken er een spetterende fuif van, zoveel is zeker! Gelukkig is mijn geheugen van de partij om zowel dansliedjes van nu als van bijna vergeten tijden te verzamelen. De Rolling Stones, de Talking Heads, Roxy Music, Simply Red, de Scorpions en Blondie staan op het programma, maar ook Dido, Kate Ryan, Gloria Estefan en Belle Perez zullen er bij zijn. Misschien keren jullie wel allemaal met blaren op de voetjes huiswaarts, maar met de herinnering dat jullie bij de “stuif-uit” van Linda en Aimé erbij waren… Voor degenen die ook van de BBQ willen smullen, vergeet niet in te schrijven vóór 15-8 op rekeningnr. 979-6153767-92 en de prijs is nog altijd 15 euro. Daarvoor krijg je nog steeds een worst, een kippenbil, een brochette, een portie vis en een glas wijn, sangria, bier of frisdrank. Vanaf 16 u. staan de deuren open. Vanaf dan is er koffie, taart of iets fris. BBQ-en doen we vanaf 18u en de fuif, die voor iedereen toegankelijk is zetten we in om 21u tot in de vroege uurtjes uiteraard. We zien er naar uit! Jullie ook? Bij deze willen we ook iedereen bedanken voor de leuke reacties op onze nieuwsbrieven. Mijn astro-pupil Martine krijgt een speciale vermelding van mij aangezien zij trouw iedere nieuwsbrief beantwoord en ook zij vindt Aimé een dikke nek. Voor Baziel/Bachilles hebben we een meter en peter uitgeroepen en dat worden respectievelijk mijn dochter Lindsay, voor de meest originele naam, nl. Balthazar Baziel Achilles de Eerste en onze goede vriend Bernard voor de meest originele reactie (kben er nog niet goed van…). Zo, dat was het dan weer….ik zou zeggen “tot de volgende!” Beso Y Carinos, Linda
7 augustus 2004 Dear Mrs.Bogaert, Plse. Note that yr.flight frm october 10th to Guatemala has been cancelled… Zo begon de e-mail die we ontvingen van onze reisagent. Meer tekst en uitleg kregen we niet, behalve dat we ons in verbinding dienden te stellen met het agentschap om, ofwel een andere datum af te spreken of om gewoon de hele boel te annuleren en onze centen terug te vragen. Na acht lessen Spaans, een benefiet-BBQ voor de boeg en een huis dat intussen voor een jaar werd verhuurd, leek dat laatste voorstel niet direct dat wat we wilden. Maandag 11 oktober dan maar. Het spijt me mevrouw, op maandag zijn er geen vluchten, was het antwoord dat Linda kreeg. Ook dit was nieuw. Had men ons enkele maanden geleden niet verteld dat er dagelijks vluchten waren, met op weekdagen vertrek in de namiddag? Ik wilde er het fijne van weten en belde naar hen die me het antwoord zouden kunnen geven, nl….Iberia. Een stem van boven de Moerdijk bracht duidelijkheid. Ons totale vluchtschema op Latijns Amerika is gewijzigd, mijnheer. Wij vliegen enkel nog non-stop naar Guatemala, zonder technische tussenstop in Miami. Alle vluchten met de door u gekozen bestemming vertrekken om 8.10 u. vanuit Brussel. Dinsdag 12 oktober is er wel een vlucht én nog plaats. Van het onder de oksels en in het kruis te laten tasten door een onbekende Amerikaanse machodouanier of veiligheidsbeambte, blijf ik gespaard. Paniekerige zenuwachtigheid en stresstoestanden, voorafgaand aan de presidentsverkiezingen, hoeven we ook niet mee te maken en de angst dat de vibrator van Linda wordt aanzien voor een automatisch pistool, valt nu ook weg. Dus, voor hen die 10 oktober in hun agenda hebben genoteerd als bijkomende wettelijke feestdag, gelieve deze - zonder tegenbericht – te wijzigen in 12 oktober 2004! Ooit van numerologie gehoord? 12 oktober 2004 is een “1” dag. “1” staat numerologisch voor een nieuw begin, tja… Intussen komt 28/8 alsmaar dichter. Aanmeldingen voor de BBQ blijven binnenkomen en een aantal fuifnummers hebben zelfs een overnachting geboekt. Ook de prijzen voor de tombola blijven toe komen en Linda is volop bezig met muziek bijeen te sprokkelen zodat ook het dansen kan blijven doorgaan. Alles loopt en we vertrouwen er op dat alles in goede banen blijft lopen. We kunnen er echter niet omheen dat zenuwen de kop opsteken, normaal zeker? Bij deze wil ik toch nog even een oproep doen voor wat extra man- en vrouwkracht. Een oproep aan hen die enkele uren (minder mag ook) willen helpen met afwassen, afruimen, tappen…maar ook willen helpen de zaal te versieren en na het feestgedruis de boel te helpen opruimen. Mocht je zin hebben… Of er nóg een nieuwsbrief komt vóór de BBQ weet ik niet, het wordt nog druk de komende dagen. Mocht het niet lukken, courage, na de BBQ volgen er hopelijk nog vele… Fijne dagen en tot… Alegria Aimé
Zondag 29 augustus 2004 Half elf. The morning after. We zitten aan de koffietafel. Vera, een collega die samen met de poes het logeerbed deelde en Roland en Mieke, vrienden die in onze voortuin hun tentje hadden opgeslagen. Enkele uren voordien waren we doodmoe thuisgekomen omringd met een geur van barbecue en sigarettenrook. De voorbije dagen waren hectisch. Alles verliep in sneltreinvaart want er diende nog heel wat te gebeuren voor het zaterdag 16 u werd. Wijn moest worden aangevoerd, vis en taarten afgehaald, zaalversiering worden aangekocht. Bij vrienden en familie werden parasols bijeen gezameld voor het geval het zomerse herfstweer mocht blijven aanhouden. Met slingers, vlaggetjes, doeken, echte en nepplanten, en een portie sfeerverlichting werd geprobeerd om de “parochiezaallook” een beetje weg te werken. Tafels, stoelen, schragen en planken werden aangesleurd en zo geplaatst dat de 97 ingeschrevenen op een comfortabele manier konden schransen en drinken. Koelkast en schabben werden voorzien van volle flessen…het feest kon beginnen. Ik stond nog onder de douche toen Linda de eerste gasten verwelkomde. Het lauwwarme water kon er echter de vermoeidheid die ik al dagenlang had opgespaard, niet uit mijn lijf spoelen. Het stof en zweet kreeg ik er wel af. Met mijn lapjeshemd dat ik speciaal voor deze gelegenheid op het Sfinkx festival had gekocht, reed ik van Assebroek terug richting feest. Toen later op de avond de zaal tjokvol zat, en er rijen hongerige wachtenden voor de vuren stonden, werd ik even heel stil. Hadden wij dit écht in gang gestoken? En waren er inderdaad zoveel mensen die ons project steunden? Niet te geloven. Het was half drie toen we stopten met fuiven en de muziek uitzetten. Drie kwartier later waren de laatste glazen leeg en ging iedereen naar huis, ook zij die hadden geholpen om alles op zijn best te doen verlopen. De koks, de tappers, de afwassers, de opruimers en de afruimers…er namen bijzetten zou oneerlijk zijn voor hen die ik zou vergeten, maar het zijn er velen die Linda en ik bij dezen willen danken voor hun spontane hulp en het vele werk dat ze hebben verzet. Dank ook aan allen die ons steunden en die er toch bij wilden zijn ondanks de voor sommigen verre verplaatsing. Maar ja, Antwerpenaars draaien hiervoor hun hand niet om, ik weet er alles van. Zondagavond, half acht. De zaal is leeg, tafels en stoelen opgeborgen, leeggoed geteld. Vlaggetjes, versiering, verlichting…weg. Het is terug een parochiezaal waar een vermoeide Jezus aan het kruis achterblijft. Hij heeft blijkbaar al meer fuiven meegemaakt, maar vindt zijn laatste avondmaal toch nog steeds ongeëvenaard. …of we de Galapagos eilanden kunnen inplannen in onze reis, zullen we weten nadat alles is geteld en betaald, maar dat lees je nog wel in onze reisverslagen! Alegria, Aimé
Zaterdag 20 september 2004. Avond. De zetel waarin ik zit is ontkleed. De overtrek zit in de was of volgens het plaatselijke taalgebruik “de waste”. In het salon wordt het alsmaar kaler. Het boekenschab is, op enkele overblijvers na, leeg. De inhoud van de rekken staat voor mijn neus, opgeborgen in dozen. De boeken gaan een jaar de donkerte tegemoet. Hun wijsheid, spanning en avontuur zal voor een jaar naar een ander adres verhuizen, waar ze ongelezen zullen overwinteren, overlenteren en overzomeren op een spinnerige zolder. De legkast die ik enkele weken geleden leegmaakte, ligt nu terug bijna vol met de spullen bestemd voor onze rugzakken. 70 liter is de inhoud van mijn rugzak. Die van Linda houdt het op 55 liter. Het zal te goochelen worden om er alles in te krijgen. Het inpakken zal nog wel lukken, daar vertrouw ik op, maar om daarna nog iets te kunnen terugvinden is een ander paar mouwen. Orde scheppen lijkt mij bijna onmogelijk in een zak waar één en dezelfde ruimte moet worden gedeeld met: - hemden - broeken - T-shirts - slaapspullen - toiletgerief - zakdoeken - snoeperijen - fotospullen - schrijf- en tekengerei… en dit is nog maar een heel summiere opsomming. Hier in huis vinden we amper voor alles een plaats. Nu moet het in onze rugzak. Linda heeft vanmiddag haar rugzak “proefgeladen”. Eigenlijk wilde ze weten hoeveel plaats er nog over was nadat ze al haar kleding, slaapzak en schoenen had ingeladen. Linda wil immers nog boeken meenemen! Niet één of twee, neen…acht. De boeken die ze altijd al heeft willen lezen, maar er nooit de tijd voor heeft gevonden moeten nu mee op reis. Deze boeken zullen daarna worden opgenomen in het Guiness Book of Records, als zijnde de boeken die de meeste kilometers zullen hebben afgelegd op de meest diverse wijzen. Door de lucht, over het water, te voet, met trein en bus… Dus nadat al haar “tug” (Brugs voor “spullen”) was ingeladen, werd de nog beschikbare ruimte opgevuld met… boeken. Rugzak over de schouders en buikriem aangehaald (dat zullen we nog meer moeten doen, willen we met ons budget rondkomen). Vervolgens werd er door de badkamer, het salon, living en keuken een proefwandeling gemaakt. “hij zit goed”, zei ze, nadat ze in de keuken had halt gehouden alvorens aan de afwasbak rechtsomkeer te maken en de terugkeer naar de badkamer aan te vatten. Het smalle trapje en het nauwe zolderluik lieten niet toe om ook op zolder nog een rondgang te maken, spijtig! Enige simulatie van onze beproevingen die ons in het Andesgebergte zullen te wachten staan ware niet slecht geweest. Nog drie weken… Alegria!
Zondag 25 september 2005 Een kans die we niet mochten laten voorbijgaan, vonden we. “the Motorcycle Diaries”. De tocht van Ernesto “Che” Guevara en diens vriend Alberto, dwars door Zuid-Amerika. Vier op een rij. Decascoop - Gent, 17 u. Inge en Freddy , die je intussen al wel kent uit vorige nieuwsbrieven, waren bij ons. Voor hen was het een her-beleven van hún avontuur van twee jaar geleden. De meeste plaatsen die Ernesto en Alberto 52 jaar eerder hadden bereisd met hun motorfiets of te voet, hadden zij met Jerom, hun 4x4, afgedweild. Voor ons was het een “smaakmaker”, om er in te komen. Immers volgend jaar in het voorjaar, of het najaar, afhankelijk aan welke kant van de evenaar je staat, doen we zelf ook een groot deel van dit traject. De beelden die we te zien kregen waren prachtig. Het belooft wat te worden! Alleen kreeg Linda het even benauwd toen ze te zien kreeg dat het in de Andes behoorlijk hard kan sneeuwen. Onze zomeroutfit waarmee we in Centraal Amerika zullen rondlopen, zal zeker niet aangepast zijn aan dat barre winterklimaat. Zomerbroeken en T-shirts zullen moeten worden ingeruild voor wollen truien en mutsen, die ter plaatse worden gebreid uit loslopende lama’s (dit zijn geen boeddhistische monniken, maar een soort kruising tussen een schaap en een kameel). De film was Spaans gesproken, wat eigenlijk nogal wiedes is wanneer hij zich afspeelt in Zuid-Amerika en met acteurs van ter plekke. Alzo kregen we een voorproefje van de taal die we een gans jaar zullen moeten aanhoren. Probleem is dat er dan geen ondertitels zullen bij staan. Intussen is het me wel duidelijk dat ik met mijn acht lessen “Español para Viajes” nergens sta en dat mijn wijsvinger de universele taal der analfabeten zal moeten spreken. We proberen momenteel de twee belangrijkste zinnen in het Spaans in te oefenen, nl: “Perdone, no le comprendo”, oftewel “Pardon, ik versta u niet” en “Cómo se escribe?” of “”hoe schrijf je dat?”. Met het handboek “Spaans voor Dummies”, dat ik enkele weken geleden aanschafte, hoop ik toch al een eind op weg te komen in de taal van Pablo Neruda en Julio Iglesias. Wellicht hebben zij dit boek ooit gebruikt om zich bij hun ouders verstaanbaar te maken, want je moet toch maar de pech hebben om uit Spaanse ouders geboren te worden… “Spaans voor Dummies” gaat mee op reis, in de rugzak. Hoe vlugger ik de inhoud onder de knie heb, hoe vlugger hij terug naar België kan worden gestuurd. Lieve lezer, dit is écht de laatste nieuwsbrief vóór ons vertrek. De komende dagen zullen worden gevuld met het wegbrengen van dozen, het woonklaar maken van het huis voor de volgende bewoners en verder – in willekeurige volgorde – afscheid nemen van poezen, familie, collega’s, vrienden en kennissen. Het laatste weekend zal de wasmachine en de droogkast nog op volle toeren draaien teneinde de volgesnotterde zakdoeken een laatste wasbeurt te geven. Hoe het afscheid was, de vlucht verliep en onze eerste passen op Latijns Amerikaanse bodem werden gezet, lees je in de volgende nieuwsbrief. Nog twee weken… Alegria! Aimé
2.Reisverhalen
  • OKTOBER
  • NOVEMBER
  • DECEMBER
  • JANUARI
  • FEBRUARI
  • MAART
  • APRIL
  • MEI
  • JUNI
  • JULI
  • AUGUSTUS
Wellicht de langste dinsdag van oktober. Op 3451 ft. Boven de Atlantische oceaan en zes vlieguren achter de rug. Nog vijf uur resten ons alvorens te landen op Centraal Amerikaanse bodem. Lang is er over gepalaverd en veel is er over geschreven en nu zijn we gestart. Na een té korte nacht en een ontwaken in volle donkerte, stonden we om 6 u. in Zaventem aan de balie van Iberia. De twee Iberiaanse hostessen, die er zelfs op dit vroege uur is slaagden om een hostessenglimlach te produceren, zorgden ervoor dat onze tiketten werden aangepast en dat we ook een definitieve retourdatum in ons bezit hadden. Deze datum houden we echter nog geheim en zelf gaan we trachten hem ook nog voor een aantal maanden te vergeten. Nog véél te vroeg voor deze confrontatie. Wat we al wel verklappen is dat we terugkomen in het jaar 2005 en het wordt een vrijdag! Er waren nog lachende gezichten op de luchthaven. Danny V. en Vera M. , respectievelijk mijn directeur en collega, kwamen ons uitwuiven. Een verkeerde gedachte bezoedelde mijn geest want in aanvang meende ik dat ze samen een snoepreisje Balearen hadden gepland. De integriteit van Danny V. en de “aan-mijn-lijf-geen-polonaise”-uitstraling van Vera M. kennende, besefte ik dat zulke gedachten enkel een Dag Allemaal artikel waard zijn. Het was een verrassing. Een deugddoende verrassing, die mij het besef gaf dat een werkkring meer betekent dan enkel maar gaan werken. Bedankt! Op het vliegtuig naar Madrid kon ik kiezen tussen ofwel “El Païs” ofwel “Het Nieuwsblad”. In beide kranten stond te lezen dat Superman heen was. Zijn dood las beter in het nederlands dan in het spaans. Er zal mij nog genoeg spaanstalige literatuur aangeboden worden in de komende maanden… Hier in de fonkelnieuwe Airbus 340-600 (600 is het aantal passagiers dat kan worden vervoerd) is men aan de derde langspeelfilm toe. De volle passagiersruimte is herschapen in een bioscoopzaal. Geen van de drie films kan mijn aandacht vasthouden. Ik maak van de gelegenheid gebruik om mijn slaaptekort aan te vullen en een reisverslag te schrijven. Vanaf nu worden het inderdaad reisverslagen. De nieuwsbrieven horen tot het verleden. Zij gingen over de voorbereidingen en die namen gisteren een einde, en wat voor een! Zowel Linda als ikzelf stonden op scherp. Hoogspanning! Aan al het opruimen, afhandelen en afscheid nemen, scheen geen einde te komen. Het bleef maar duren. Voor mij véél te lang. Linda dacht er anders over…onze energieën kwamen in botsing en teneinde op het laatste moment toch niets te laten escaleren, zocht ik soelaas in de frisse lucht. Een half uurtje was genoeg om me “uit te zuiveren” en met een andere ingesteldheid terug de draad op te nemen. Uiteindelijk stonden we om 21.3O u. met rugzak en handbagage bij mijn dochter Greet. Zij en haar vriend Hugo brachten ons de volgende morgen naar de luchthaven. Guatemala City. 15.30 u. plaatselijke tijd. Een grauwe luchthaven vangt de Airbus op. Een verademing wanneer ik vaststel dat onze bagage (onbeschadigd) is meegekomen en niet is achtergebleven in Madrid. Aan de uitgang staat een bevallige jonge dame. Een uur later noemen we haar Iris. “Taxi, sir?”. Aangezien er in de wijde omtrek rond de luchthaven geen autobus te bekennen is, zijn we wel genoodzaakt om op haar aanbod in te gaan en onderhandelingen omtrent de prijs van de rit op te starten. We willen immers diezelfde avond nog Antigua- een 50 tal km. verder- bereiken. Dit stadje oogt naar men ons vertelde, heel wat vriendelijker dan de miljoenenstad Guatemala City. Iris en haar broer Walter (in deze contreien had ik toch heel wat meer tot de verbeelding sprekende namen verwacht), maakten ons in de drie kwartier die we in hun gammele taxi doorbrachten , wegwijs in de eigenheden en bezienswaardigheden van hun land. La Luna Maya. In dit op het eerste zicht mooi ogende hotelletje, zullen we onze eerste nacht doorbrengen. Op het tweede zicht oogt het niet meer zo mooi en voor veel minder geld hadden we kunnen overnachten in een paddestoelkwekerij. Klam, vochtig en verstoken van verse lucht is het er, maar we zijn moe en willen niet verder op zoek naar een wat comfortabeler stek. Het einde van onze eerste reisdag kan beter, maar Linda slaagt er toch nog in om iets positiefs te zien in de toestand waarin we zijn verzeild geraakt. Gelukkig zitten er geen vieze beesten, zegt ze. Eens het licht uit is zie je ze natuurlijk niet, maar die gedachte verwoord ik niet… Woensdag 13 oktober 2004. Het is half vijf in de namiddag wanneer ik zit te schrijven in de gezellige patio van het al even gezellige hotelletje “El Merced”. Enkele uren geleden hebben we ons hebben en houwen naar hier verhuisd op aanraden van Philippe, een Maldegemse Belg die we ’s ochtends in een travel Agency tegen het lijf liepen. In België neemt hij tijdskrediet. In Guatemala en El Salvador gidst hij groepen voor een Belgische reisorganisatie. Zo heb ik financieel toch wat meer armslag, zegt hij. Sommige mensen brengen me op ideeën… Antigua, het Brugge van Guatemala. Veel meer toeristen dan inwoners. Zelfs de kreupelen en bedelaars zijn er in nationale klederdracht. Lichaamsgebreken en misvormingen worden er schaamteloos ten tonele gevoerd en omgezet in Quetzals (of als het effe kan, dollars). Shoe-shine boys kijken met minachtende blik naar mijn blote voeten in sandalen. Opgetutte kleine meisjes poseren gewillig voor een kraampje met exotisch fruit. De opbrengst van hun kinderlijke onschuld -1 Quetzal per foto- verdwijnt in handen van moeder, die ongeïnteresseerd in het niets kijkt. Morgen, Honduras, Copan Ruinas. Om vier uur (’s ochtends) vertrekt de bus… Donderdag 14 oktober 2004. Met haar twee dochtertjes zit ze met ons in de minibus die ons naar Copan Ruinas brengt. Enige aanstalten tot gesprek wordt beantwoord met een kamerbrede wittetandenlach. Ze spreekt de taal niet, noch spaans, noch engels. Haar twee dochterjes slapen de donkerte door tot aan de dageraad, ingekapseld in een deken, terwijl het busje slalomt tussen de vroege vrachtwagens. Om 9 u. bereiken we de grens en onze paspoorten worden opgehaald door de “Migracion”. Voor de prijs van 10 usd. Krijgen we onze paspoorten terug en worden we toegelaten op Hondurees grondgebied. De paspoorten van onze medepassagiers blijven echter in het bureel van de grenswachten. De dag begint meer en meer op temperatuur te komen en onze minibus staat nog steeds tussen de slagbomen van het niemandsland. We wachten…en uiteindelijk gaan de slagbomen dan toch omhoog. De moeder en de twee dochterjes zijn niet meer in ons gezelschap. Zij blijven achter in niemandsland en wachten tot de chauffeur van Honduras terugkeert en hen meeneemt naar daar vanwaar ze kwamen, tot hun visum geregeld is. De koffie op het terras van het Via-Via café doet zijn werk. Hij kikkert op. Het voze gevoel in het lijf, na uren achter elkaar dooreen te zijn geschud, verdwijnt. Onder de plafondventilator worden met Geert en Annemie de voorbije maanden bijeengebabbeld. Wij zijn in Copan- Honduras. De foto’s op de website van Via-Via staan helemaal niet in verhouding met wat je hier in het écht te zien krijgt. Het is zoveel mooier… Dezelfde dag nog worden we “ingewijd” in de “Manzana Verde”, ofte “Groene appel”, waar we een maand (jeugd)herbergvader en moeder zullen spelen. Een totaal ander concept dan het Via-Via café, waar alle kamers privé zijn. Hier in de Manzana zijn er drie grote kamers van respectievelijk 7, 6 en 3 bedden. Alleen slapen zit er dus niet bij… In deze, onlangs geopende Manzana, krijgen we een idee van de creativiteit en originaliteit van Geert en Annemie en van hun co-partners Dirk en Cindy. Ze hebben gewoon hun ziel in dit project gelegd. We staan stomverbaasd van de originele inrichting en het geboden comfort. Aimé noemt ze, terecht, levenskunstenaars. We worden er voorgesteld aan Art, die met zijn lang, wit krullend haar en dito baard lijkt op de kerstman. Rood aangezicht, vriendelijke ogen en een “kerstmanbrilletje”. Hij wordt onze kamergenoot. Hij zal van de komende nacht gebruik maken om met het geluid van een kettingzaag een heel stuk regenwoud om te snurken… Eerste indrukken Het is zondagnamiddag en het is warm. In de galerij van de Manzana speelt een afkoelend windje tussen de banken en de tafels. Eens je van onder de beschutting van de dakpannen komt, brandt volop de zon. Van op de plaats waar ik zit te schrijven heb ik kijk op de inkompoort en de hobbelige straat. Kokospalmen op de voorgrond, in de tuin van de overbuur en op de achtergrond broccolikleurige heuvels. Honduras, voor het beetje dat ik er nog maar van heb gezien, is een groen en vruchtbaar land. Hoewel het landvruchtbaar is, is een zeer groot deel van de bevolking arm. De prijs van een tas koffie of 8 Lempira (= 0,20 €), vertegenwoordigd hier een behoorlijk loon, als men al werk heeft…De armoede heeft tot gevolg dat school lopen niet voor alle kinderen is weggelegd. In een engelstalige Hondurese krant las ik dat kinderen die zich geen schooluniform kunnen veroorloven, niet tot een school worden toegelaten. Ze blijven dus verstoken van enige vorm van onderwijs en zijn gedwongen om op zeer jonge leeftijd behoorlijk zware arbeid te verrichten. Regelmatig zie ik hier in het stadje kinderen, zowel jongens als meisjes, samen met hun ouders met zware pakken brandhout sleuren. Duidelijk te zwaar voor hun jonge gestel. Hier in Copan Ruinas is er toerisme, wat maakt dat er geld in omloop is en er zaken kunnen worden gedaan. Er zijn de straatventers die frisdrank, fruit en groenten verkopen. Er zijn de eetstalletjes, waar op een gammel BBQ- stel vlees en tortillas worden gebakken. Uit preventief darmbeleid hebben we buiten tortillas, van deze kraampjes nog niets gegeten. Er zijn de winkeltjes waar artisanaat en andere producten van huisvlijt te koop worden aangeboden en de onvermijdelijke kitscherige souvenirwinkeltjes waar de Azteken- en Mayakunst in origineel, duizend jaar oud plastiek worden te koop gesteld. In een kleurrijke, zondagse outfit dwarrelen Indiaanse meisjes in het dorp rond en bieden er handgemaakte poppetjes –vervaardigd uit maïsbladeren- te koop aan. Een sociaal vangnet is hier onbekend. Zit je echter financieel in de problemen, dan stap je naar de “Muni”, het gemeentehuis, en daar krijg je een geschreven officiële toestemming, om gedurende dertig dagen…te mogen bedelen. Kan er iemand onder de lezers, mij het e-mail adres bezorgen van Monika De Coninck? Ik ben er zeker van dat men bij het OCMW van Antwerpen nog niet op dit idee is gekomen… Een boeiende tijdsbesteding en tevens een onovertroffen oefening in geduld, is werken met het internet en meer bepaald dan het openen en verzenden van e-mails. Het lijkt er wel op dat de computers in het lokale internetcafé, op zware stookolie lopen i.p.v. electriciteit. Gisteren stuurde ik een e-mail naar onze webmaster, samen met een Word bestand van 3 blz. Het downloaden van dit bestand, samen met het verzenden ervan, nam welgeteld 12 minuten in beslag. Dus, het verzenden van onze reisverslagen is niet zo evident en wanneer we spreken over het verzenden van foto’s, verdwijnt alle tijdsbesef. Hoe er ooit foto’s op onze website gaan geraken, is nog onbekend, maar we zoeken naar een oplossing. Dus, mocht er ooit een gat vallen in het regelmatig toesturen van onze reisverslagen, weet dan dat de voornaamste oorzaken kunnen liggen bij de traag werkende computers of het uitvallen van de electriciteit, wat in dit land meermaals per dag kan gebeuren. Bijkomende redenen, maar niet minder belangrijk, kunnen zijn : - het voor onbepaalde tijd verdwalen van de schrijvers in de jungle; - het oplopen van een stevige diarree waarbij we in de onmogelijkheid verkeren om langer dan één minuut achter het klavier te blijven; - het al terug thuis zijn van de schrijvers en het niet durven zeggen. Mochten er zich nog andere redenen voordoen, zal u lezer deze helaas niet kennen omdat er toch geen reisverslagen meer zullen zijn. Weet echter dat nu nog alles goed gaat en dat je elke dat vol nieuwe verwachting je computer kan openzetten, tot er…(zie boven) Alegria, Aimé (17/1O/2004) Onze « Job » Ondertussen raken we ook ingeburgerd inde Manzana. Mensen, meestal jonge avonturiers, die met een rugzak afgezet worden voor de deur, een slaapplaats aanbieden. Elke om beurt klaren we deze klus. Gelukkig kunnen we de rondleiding meestal in het Engels doen, aangezien de meeste “travellers”, Amerikanen en Europeanen zijn. “La habitacion”, de kamer, “la cocina”, de keuken en nog een paar andere woordjes zijn tot nu toe mijn kennis van het Spaans. Lucia en Maria, de poets- en kamermeisjes proberen met handen en voeten uit te leggen hoe alles verloopt. Vandaag heeft Lucia ons haarfijn uitgelegd hoe wasmachine en droogkast moeten gebruikt worden. Ze zal nog veel geduld moeten hebben…op dit moment heb ik het gevoel dat ik het nooit zal kunnen. Onze werkdag loopt van 9 tot 19 u., maar gedurende de dag lossen we elkaar regelmatig af, zodat ieder de gelegenheid heeft een keertje het stadje in te gaan en dingen te doen (vb.schrijven). In de Manzana heerst een gezellige drukte. We voelen ons terug 3 x7 tussen de jongens en de meisjes, zowel koppeltjes als singles. Na onze derde dag hier, hebben we voor de tweede keer een “full house”. Mooi om zien hoe deze avonturiers op een ontspannen manier met elkaar kennis maken en gedurende een tijdje met elkaar optrekken. Zo is er Amy, een Canadese van negentien, die van zichzelf zegt dat ze lerares is (?) en Emma uit Canterbury (GB) eveneens negentien. Vandaag kochten ze dreadlocks voor hun haar, evenals een string, die ze aan alle bewoners, including the boys, gretig lieten zien… Onze “stars” vertrekken morgen. Jammer voor Aimé, aangezien ze hem iedere dag trakteerden met verse koffie. We zien en horen hier ook hoe er gegoocheld wordt met de weinige financiële middelen die de meeste backpakkers hebben. We stellen vast dat “low budget travelling” een manier is om op een creatieve en vindingrijke manier toch de wereld te zien. In al die jeugdige drukte en over een weer geloop, is het voor ons ook een uitdaging om creatief en vindingrijk te zijn wat onze “intieme privacy” betreft. Tot op heden slagen we er in… Vaya puez! (tot ziens, alles in goed…) Linda (17/1O/2004) De eerste slangen 18 oktober 2004 – 8.30 u. Een maandagmorgen. We worden voorgesteld aan Catherine Doctor, een Amerikaanse antropologe/archeologe, die ons zal rondleiden in de Maya Ruines Van Copan. Volgens Geert een hele eer, aangezien zij zowel in Amerika als in Honduras een “grote” dame is. Ja, geboren worden in één van de 100 rijkste families van Amerika moet je maar overkomen. Ze heeft in Honduras heel wat projecten lopen, met als doel de plaatselijke bevolking er beter van te doen worden. Vooral Copan is haar favoriete stek en ze wordt hier door de bevolking zeer gerespecteerd. Helblauwe ogen in een knap rond gezicht, een lange blonde vlecht en “ a real American smile”. Ik schat haar een jaar of achtendertig. Een spraakwaterval overspoelt ons…in geuren en kleuren en met de nodige “body talk” legt ze ons haarfijn uit wat ze over de Ruinas weet. Ze weet veel, maar alles beperkt zich tot wat “wetenschappelijk” bewezen is. Daar moeten we het voorlopig mee doen. Aan het museum gekomen dat bij de Ruinas hoort, staat the men himself, Ricardo Agoursio. Haar teacher en ondertussen ook haar sweetie zoals ze hem noemt. Hij is hoofdarcheoloog van de Ruinas. Een Hondurees die lijkt op een Amerikaan en ik vraag me af hoeveel Hondurees hij nog is. Met kop en schouders steekt hij letterlijk en figuurlijk uit boven zijn doorsnee landgenoten. Ricardo geeft verder uitleg over hoe alles in Copan ontdekt is en op welke manier het werd gereconstrueerd. Mijn nieuwsgierigheid naar de mystiek achter dit alles blijft echter onbevredigd. ’s Middags gaan Aimé en ik terug, zonder de groep. Alleen met ons beiden. Het is er stil en ingetogen. Enkel de roep van de exotische vogels in de reuzenhoge bomen doorbreekt deze stilte. Deze site blijft zijn échte geheim bewaren. Wij mogen enkel van de schoonheid genieten… O ja, vandaag ontmoette ik ook mijn eerste slangen, ruïnes zijn namelijk ook “a snake paradise….” FINCA EL CISNE Een beetje Spaanse les ? Wat is het verschil tussen een Finca en een Hacienda? Zowel een Finca als een Hacienda zijn, soms immens grote, landbouwbedrijven. Het verschil zit hem daar, dat een Finca hoofdzakelijk leeft van de opbrengst van landbouwgewassen en dat een hacienda zich meer toespitst op veeteelt. Tot zover. We zijn uitgenodigd op de “Finca El Cisne”. El Cisne, de zwaan. Alweer wat bijgeleerd. Vroeg in de morgen de pick-up in om langs onverharde wegen, 45 km. verder in een stuk ongerept Honduras te belanden. Finca El Cisne heeft als hoofdbedrijvigheid de productie van koffie en Kardemonzaad. Kardemonzaad heeft als voornaamste afzetgebied het Midden-Oosten, waar het wordt toegevoegd aan de koffie. Linda heeft plaatsgenomen op de rug van Beatrice. Daar het haar eerste echte paardrijervaring is, wordt een makke merrie uitgezocht. Ik berijd Rayito, een –gelukkig- gedweeë hengst. Aan het zadel hangt een grote machete, een hakmes. Stoer hoor!In totaal zijn we met z’n vijven, waaronder onze gastheren en Arnulfo, de stalmeester. Arnulfo is een getaande, taaie cowboy. Een man van weinig woorden, geboren en getogen tussen de paarden. Hij doet me een beetje denken aan de Paardenfluisteraar. Een ganse morgen doorkruisen we het grondgebied van de finca. Over weiden, door ongerepte bossen, beken en riviertjes, brengen onze paarden ons tot bij de plaats waar we kunnen afkoelen. Een snelstromende rivier, opgesierd met enkele speelse watervalletjes, wordt een bubbelbad. Het water dat rechtstreeks uit de bergen komt is sprankelend fris en wast het zweet en stof van onze lijven. De paarden kijken van op afstand toe en wisselen onderling niet wat paardennieuwsjes uit… Eens terug in het zadel, hoeven we niet veel meer te doen dan onze paarden hun weg te laten gaan. Veel aansporing hebben ze niet nodig, ze weten immers dat het nu rechtstreeks huiswaarts gaat. De koffie- en kardemonplantages bezoeken we in de namiddag, met de pick-up. Ze liggen een heel eind hoger, de bergen in. We komen nu te weten dat de koffieboon het zaad is van een bes die wordt geoogst nadat ze een vuurrode kleur heeft gekregen en dat de boon, wanneer ze uit haar bes wordt verwijderd een heerlijke honigsmaak heeft. De plant zelf, die wordt gemiddeld dertig jaar oud. Dat je van koffie zenuwachtig wordt, dat wist je intussen al waarschijnlijk. De koffieplant is dan ook de meest zenuwachtige van het hele plantenrijk. Koffie met kardemon. Een pittige afsluiter van de dag… Mooie foto’s op een mooie website. Surf eens naar www.fincaelcisne.com en je zal zien dat ik in een stukje paradijs was. Aime.
MAHFAM Ik zit met een flinke verkoudheid opgezadeld. Een griepgevoel zorgt ervoor dat ik de dingen als in een roes beleef. Dat komt ervan van in je blote bast onder watervallen te gaan staan. Bijkomend is het dan ook nog warm, zeer warm. De zon bakt alle leven van de straat weg. Het is stil, ingetogen stil op dit middaguur. Geen lawaai van toeterende motortaxi’s en voorbijrammelende pick-ups. Ook geen mensen op de straat. Het valt me moeilijk om nu te schrijven en om de gepaste woorden te vinden, maar ik dwing mezelf er toe. Later aan het eind van dit schrijfstukje, weet ik dat ik me er beter zal door voelen. Wanneer ik door weerstanden ga word ik sterker, dat weet ik intussen al. Maar tussen weten en doen…OK, ik begin. Mahfam. Neergeschreven is het gewoon een vreemde naam, zeker niet alledaags. Eens je hem uitspreekt en hij zijn klank krijgt, wordt hij een onbereikbare droom voor heel wat mannen. Toen ze zich enkele dagen geleden in de Manzana Verde aanmeldde, stelde zich zich voor als “Hello, my name is Mahfam and I’m from the United States”. Toen ik haar aankeek, werd ik onthaald op een rij hagelwitte tanden in een lachende mond. Ik schatte haar vijfentwintig. Gitzwart haar in dreadlocks, bruine ogen en een huidskleur van melk met een vleugje Arabische koffie. Een blauwe pareo verhulde haar lichaam en bedekte een weelde van zachte vormen. Ze bewoog zich in een aura van sensualiteit… Mahfam was van Iraanse origine, vandaar haar vreemde voornaam en ze reisde in haar eentje Latijns Amerika rond. Ze was de enige vrouw in de grote kamer van de Manzana en ze moest deze delen met vijf mannelijke backpakkers. Arme kerels. Ze zwermden rond haar als vliegen rond een pot Mexicaanse honing. Mahfam bleef echter onbereikbaar met als gevolg dat ’s avonds de bedden het uitzicht hadden van een kampeerplaats met eenpersoonstentjes. Hakan, een Amerikaanse Turk, met guitaar en zigeunerroots en van professie vrouwenversierder, sliep ook op de kamer. Mahfam versieren zou niet enkel een extra streepje op de wand naast zijn bed betekenen, maar het zou hem ook bonuspunten opleveren. Zulk een verovering was immers niet alledaags… Eergisteren vertrok Mahfam. Ze nam de autobus van 5.30 u. naar San Pedro Sula, richting kust. Toen ik die ochtend op de slaapkamer kwam, lag Hakan nog in bed, haar bed. De bonuspunten had hij verdiend. Het streepje zette hij later op de dag op de wand… Aime LA CASA PINTA Terwijl Aimé ligt te griepen, ga ik op bezoek bij Karen Steen, een Nederlandse die hier enkele jaren geleden is neergestreken. Zij is kunstenares en hier in het stadje probeert ze de sluimerende creatieve vermogens van de plaatselijke jeugd tot leven te brengen. Copàn Pinta, de tuin van la Casa de Todo is de plaats van het gebeuren. La Caso de Todo is vooral bekend om zijn uniek winkeltje met artisanale spullen, zijn coffee-shop en het internetcafé. Het is snikheet vandaag, maar de bomen in de tuin bieden afkoeling. Een drukte van jewelste heerst hier. Voor de 35 kinderen tussen de 3 en de 14 jaar, is de zaterdagnamiddag in de Copàn Pinta een feest. Ze kunnen er ravotten in de speeltuin, annex zwembad, of ze kunnen deelnemen aan de verschillende workshops. Een paar van de kinderen herken ik, ik zag ze eerder in het opvanghuis voor misbruikte en verwaarloosde kinderen, waar Bill, een vriendelijke Amerikaan met een Woody Allen-smile, me enkele dagen geleden mee naar toe nam. Bill verdiept zich in de godsdienst van verschillende culturen en buiten zijn studies spendeert hij zijn vrije tijd om iedere dag de kinderen van het opvangtehuis te bezoeken. Hier en daar haalt hij kleding en eten op aangezien er weinig of geen middelen van hogerhand zijn om het tehuis te onderhouden. En daar sta je dan, met een gevoel van onmacht, te midden van aandacht zoekende kinderen, die zijn overgeleverd aan de goodwill van (meestal) buitenlanders. Op dit moment is het een Nederlands koppel – Leon en Marloes – dat zich het lot van deze kinderen aantrekt. Ze verzamelen geld en spullen, zodanig dat deze kinderen toch over een minimum aan leefcomfort kunnen beschikken. Momenteel beperkt dit leefcomfort zich (voor 30 kinderen) tot enkele éénpersoonsbedden, een keukentje een wasplaats van +/- één vierkante meter en een kaal, leeg klaslokaal. Toch zit er levenslust en blijheid in deze kinderen. Ze komen onmiddellijk knuffelen met ieder die er zich vertoont, inclusief mezelf. Het maakt me sprakeloos en beschaamd wanneer ik ga vergelijken met de weelde waarin de kinderen in België baden. Hardop vraag ik me af wat ik voor deze kinderen zou kunnen doen. “Just give them a hug” zegt Bill. Toeval bestaat niet. Naast de speelplaats van het tehuis staat een kast van een villa waarvan het terras uitkijk geeft op de speelplaats. Later verneem ik dat hier de rijkste familie uit Copan woont… Tijdens de workshop in Copàn Pinta worden er maskers getekend en uitgeknipt, er wordt gekleurd en gepuzzeld. Op het moment dat ik binnenkom is er juist pauze met koekjes en limonade. Later doe ik mee aan het leggen van een puzzel van het menselijk lichaam, met de erbij horende Spaanse benamingen. Een ideaal kader om mijn Spaans bij te schaven! Nu weet ik dat mijn grijze bros-coupe, “pello corto, blanco y negro” noemt. De kinderen aaien me voorzichtig over het hoofd en gniffelend fluisteren ze elkaar allerlei opmerkingen toe. Wanneer de namiddag eindigt, wordt ik nog uitgenodigd om mee een spelletje kaart te spelen. Een jongen van een jaar of tien probeert me het spel uit te leggen, maar ik begrijp er niets van. We besluiten dan maar solitair te spelen en tegelijkertijd leert hij me opnieuw enkele woordjes Spaans bij. Copàn Pinta loopt leeg en samen met Carlos, zo heet de jongen met wie ik kaartspeelde, gaan we tot bij Karen. Voldaan zit ze bij een kopje koffie, haar gezicht verraad dat ze van de namiddag heeft genoten. “ je speelde kaart met Carlos? Wat vindt je van hem?” . Ik antwoordde dat ik hem best aardig vind. Ze lacht en zegt dat Carlos het grootste straatboefje van Copan is en dat hij enkel in Copàn Pinta niet wordt buiten gegooid. We zijn het er over eens dat Carlos enkel probeert om wat aandacht te krijgen, zij het dan wel op een héél rebelse manier. Wanneer ik diezelfde avond op het terras van de Via Via zit, passeert Carlos. Hij roept mijn naam en lacht zijn tanden bloot. Geert vraagt of ik hem ken. Hij is mijn nieuw vriendje, zeg ik hem. Zowel hij als Annemie fronsen lichtjes hun voorhoofd. Ook hier heeft hij blijkbaar een verleden… Linda AMERIKA ZENDT ZIJN ZONEN UIT Van ‘s ochtends heel vroeg tot een heel eind in de namiddag staat een lange rij wachtenden op het marktplein, voor de "Muni", het gemeentehuis. Baby’s aan de borst of met grote ogen, niet begrijpend rondkijkend, op de arm van hun moeder. Een meter lager, bange kinderen die zich krampachtig vastgrijpen aan de plooien van een rok. Een beetje achteraan staat een oude vrouw met ingevallen mond, die constant lijkt te praten maar eigenlijk alleen maar kauwbewegingen maakt. Naast haar staan een man met aan zijn gordel een machète in een rijkelijk versierde schede. Op zijn hoofd, de nationale trots, een witte cowboyhoed. Zo gaat de rij verder, mannen, vrouwen en kinderen van alle slag en alle leeftijd, die wachten tot een in hospitaalgroen gehulde verpleger hen binnenlaat in de "Muni". Eens binnen, worden ze opgewacht door een voor mij onzichtbare ploeg dokters, tandartsen en verplegend personeel. Drie dagen lang zijn er medische onderzoeken… Plots begint het te regenen en loopt het marktplein in een mum van tijd leeg. De enerverend rinkelende ijscokarretjes zijn ineens in het niets opgelost, straatventers zijn verdwenen en de rij wachtenden probeert, in ongewijzigde volgorde, beschutting te vinden dicht tegen de gevel van het gemeentehuis. Drie dagen lang medisch onderzoek. De artsen en het personeel zijn Amerikanen, uit de States wel te verstaan. Amerikanen met een missie. Samen met de gratis geneeskundige zorgen, brengen zij het "woord", ook gratis. Drie avonden na elkaar een vol marktplein. Onder een witte luifel staat een Amerikaanse donderprediker, praten doet hij niet, bulderen wel, met aan het einde van iedere zin een Halleluja, waarna hij even inhoudt om zich door een in onberispelijk zwart geklede Hondurees in het Spaans te laten vertalen. De andere morgen laadt de medische ploeg haar spullen in de autobus. Op één van de materiaalkisten lees ik "Medicine is the tool - Christ is te center - Evangelism is the way"… Waarom kan het niet "gewoon" gratis… THUISKOMEN Woensdag 3-11-04 « I am born in a country of idiots ! » dat is wat ik nog net kan verstaan wat Ana, een Amerikaanse gaste, een paar minuten geleden zei, voor ze kwaad wegliep. We zaten hier beiden in de patio van de Manzana vlijtig Spaans te studeren. Beiden gaan we ’s morgens naar de les, terwijl Aimé zijn namiddagen vult in een Spaans leslokaal. Ana heeft net vernomen dat Kerry de strijdbijl heeft begraven en dat Bush terug verkozen is…. Het is opmerkelijk dat de vele Amerikanen die we hier al ontmoet hebben, anti-Bush zijn. "If Bush wins the elections, we will never go home again" is dan ook een veel gehoord zinnetje hier. Ik kan me niet voorstellen dat ik dat zinnetje zou uitspreken. Men zegt "home is where the heart is" en ja, de laatste jaren heeft mijn hart zich al op verschillende plaatsen thuisgevoeld. Sinds een paar dagen hebben we ook hier in Copan, het gevoel dat we na onze dagtaak, een beetje "thuiskomen". Voor 1000 Lempiras, oftewel 45 Euro per maand, huren we een kamer, incl. levensechte gekko’s, een douche met warm water, een toilet, een tafel met bijbehorende stoel en lampadaire, kasten die veel te groot zijn voor onze schamele garderobe en een bed waarvan we dachten elkaar ’s nachts nooit meer terug te vinden. We vroegen ons af waar "ropa de cama" wat "beddengoed" betekent, gevonden zou worden dat breed genoeg zou zijn om dit bed aan te kleden. Dus, lieve mensen, omkomen van kommer en kwel doen we nog niet! Amié had bovendien de kamer feestelijk en kleurrijk "versierd" met spullen die hij op de markt gekocht had. Toen hij zo trots als een pauw de deur openhield voor mij, zei Carlos, de eigenaar van het huis, die tevens ook één van de erfgenamen van Finca El Cisne is "they are using these things for the cemetery" wel, ik wist direct waarheen mijn volgende bestemming gaat…. Carlos deelt nu zijn huis met 5 nederlandstaligen, waaronder ook Eddy, een echte Belgische filmproducer ( hou dus de tv in de gaten! ) Aangezien wij het Spaans proberen onder de knie te krijgen en Carlos zo gefascineerd is door ons Nederlands en zich altijd afvraagt wat wij onderling te vertellen hebben, is de "taal" die we nu "thuis" spreken, een stoofpotje van Nederlands en Spaans op een bedje van Engels…. VAJA PWEZ! (alles is ok, dat het jullie ook goed moge gaan!) Linda DENGUE Ik heb Dengue. Bijna twee weken nu. Eer je het weet dat je Dengue hebt, is er al een week voorbij. Dengue, momenteel het paradepaardje onder de tropische ziekten en tot op heden nog niet te voorkomen. Sterker nog, ook niet te behandelen wanneer het is vastgesteld. Het kondigt zich aan als een doordeweekse Belgische griep, waarvan je zegt, "Tjiens, kennen ze dat hier ook?" en je legt je er letterlijk en figuurlijk bij neer. Je bed is de enige veilige haven. Dan krijg je koorts. Een soort van Jo-Jo koorts (zeker een nieuwe term in de geneeskunde), die op minder dan een half uur tijd schommelt van 37,2° naar 39,8° en vice versa. De koorts zorgt ervoor dat je niet kan slapen, maar ook niet wakker blijft. Dat je niet kan eten, maar je wel ontzettend leeg voelt. Dat je wilt rechtzitten maar niet kan. Koorts, koorts, koorts… Gedurende de ganse periode heb ik ook een ontzettend kater gevoel, met een pijnlijke lever en de smaak van een dood vogeltje op mijn tong… En dan, na een week, op een zondagochtend bij het ontwaken is het alsof mijn lichaam door duizenden spelden tegelijk wordt geprikt. De ziekte breekt uit. Overal op mijn lichaam verschijnen nu rode vlekjes. Mijn handen en voeten zwellen paars op en ik kan amper lopen. Het is alsof ik op sokken loop die met kiezelsteentjes zijn gevuld. Mijn vingertoppen zijn gevoelloos en mijn aangezicht is geel. Ieder denkt aan Hepatitisch. Ben ik daar niet voor ingeënt? Ja, maar zegt "men", het zou wel eens een reactie kunnen zijn op die inentingen. Sara, 56, uit Alaska. De Amerikaanse versie van tante Sidonia. Daar zij een bril draagt is het voor mij makkelijk om haar voor- en achterkant van elkaar te onderscheiden. Het is echter niet om de rol van Lambik op te nemen dat zijn mijn pad kruist. Sara is een begenadigd homeopate. Een homeopate met rugproblemen en in behandeling bij Linda. Als wederdienst wil ze graag "eens naar mij komen kijken". Na een medisch kruisverhoor rommelde ze wat in haar rugzakje en haalt er een groene doos uit tevoorschijn, die is gevuld met een hele resem tubetjes. Eén ervan word opzij gelegd en uit de inhoud ervan krijg ik één korreltje toegediend. Dit zou het dan moeten worden… Het homeopatisch geneesmiddel ligt nog maar net onder mijn tong, of de eerste reactie is al daar. Ik kan niet meer rechtop zitten en moet dringend gaan liggen. Dit gaat gepaard met een schokkende huilbui die alle miserie van de voorbije dagen losschudt. Sara weet wel wat mijn lichaam nodig heeft, een diagnose stellen ken ze echter niet, dus raadpleeg ik bijkomend een plaatselijke dokter-kinesioloog. Hij geeft uitsluitsel. Dengue! Medicatie krijg ik niet, omdat er geen bestaat. Uitzieken en alle dagen een klein beetje meer genezen. Herstel kan weken duren en verder reizen zit er momenteel niet in. Langzaam bouw ik wat conditie op met wandelen in en rond Copan Ruinas. Hopelijk kunnen we in december naar Guatemala en Mexico, maar dat lees je nog wel… Dengue. Deze plaag die zowel de reiziger als de plaatselijke bevolking treft, wordt veroorzaakt door steken van een muskiet die is besmet met een virus dat zich nestelt in stilstaande waterputten of waterbekkens. In tegenstelling tot de Malariamug, steekt deze muskiet overdag. De enige preventie bestaat uit het constant beschermen van je huid door in te wrijven met insectenspray en het dragen van aangepaste kledij. Dit is de boodschap voor mij voor de rest van de reis want het is niet omdat je Dengue hebt gehad, dat je er immuun voor bent. Tot betere tijden… Aimé SARA 0m 5u stonden we op, een wekker hadden we niet eens nodig, vandaag wuifden we haar uit. Ze leek zo gewoon, maar had zoveel te vertellen….haar laatste woorden voor ze vertrok, waren voor Aimé “you take good care of yourself!” zei ze streng. Twee weken kwam ze dagelijks naar hem kijken en wij, wij trokken er twee weken samen op uit. “Let’s go on adventure” zei ze tegen mij en ze nam me mee op pad in Copan. Acht jaar is ze hier al op avontuur, zoals ze het noemt en ieder jaar vindt ze een “nieuw” Copan, met nieuwe huizen, straten en winkels en nieuwe ontmoetingen met mensen. “And now I met you” zei ze. Het verhaal hoe ze hier verzeilde vond ik al fantastisch. Haar dochter, Duffy was toen 15 jaar en ze mocht “een cadeautje” kiezen….ze koos een reis naar een derde wereldland in Centraal Amerika, want ze wou daar “iets” doen met “arme” kinderen. Gezien de politieke toestanden toen, leek Honduras het veiligste en zo belandden moeder en dochter in Honduras. Ze trokken het land door en “vonden” in Tegucigalpa, de hoofdstad, een weeshuis, waar Duffy al direct aan de slag wou. Gezien haar leeftijd werd ze wandelen gestuurd…op dit moment, acht jaar later, werkt ze er als vrijwilligster voor een jaar, haar droom maakt ze nu waar. Sara echter verloor haar hart in Copan en ieder jaar keert ze dan ook terug. Haar tas met computer en homeopathische geneesmiddelen is haar enige gezel en iedereen die haar pad kruist kan er kosteloos mee geholpen worden. Ze verblijft dan bij een Spaanse familie en volgt iedere morgen Spaanse les bij Amadea, waar ook wij les volgden en dat is het verhaal van onze ontmoeting. Ze kwam hier aan met enorme rugpijn en Amadea bracht haar naar mij op het moment dat wij het universum om hulp riepen, Aimé maakte hoge koorts en was ernstig ziek. Haar woorden “maybe we can help each other” werden verhoord….toen ze vertrok was haar rug beter en is ook Aimé aan de beterhand. Ze deed meer, door haar vele vragen die ze stelde aan ons, want “I treat people, no sickness” zei ze, hebben wij het gevoel dat ze ons een stukje dichter bij elkaar bracht. Aimé vond eerst dat ze té veel vragen stelde, wat ze ook direct door had, maar ze zei dan “he’s just feeling grumpy, it will go over!”. Het ziek zijn van Aimé was voor ons een hele beproeving, maar ook dat bracht ons dichter bij elkaar. Hij, nog nooit ziek geweest en ik had hem nog nooit ziek gezien. Aangezien we vooral niet wilden panikeren en gelukkig ook niet deden, probeerden we vooral te achterhalen wat dit voor onze reis en ons samenzijn betekende. Op dit moment vinden we vooral rust bij elkaar en praten we heel openlijk over onze gevoelens, wat voor beiden niet altijd even gemakkelijk is. Het is nu 15 maanden geleden dat onze relatie begon en voor beiden is het alsof we al een eeuwigheid samen zijn en zoveel weten van elkaar, maar nog zoveel te ontdekken hebben bij elkaar. Het is alsof we plots beseffen dat onze reis samen ook een reis “apart”is. De vele vragen die Sara ons stelde, doen ons nu nog nadenken over de antwoorden die we gaven…. Op dit moment verblijft ze samen met Duffy in Roatan, een Caraïbisch droomeiland net boven de kust van Honduras. Een kerstgeschenk van Ed, haar tweede man, waar ze na 12 jaar huwelijk nog steeds dol op is. Ze heeft de ideale formule gevonden om vrijheid en huwelijk te combineren,vertelt ze, ze wonen enkel in het weekend samen….voor Aimé, alles behalve “ideaal”…. Gescheiden van haar eerste man was ze jaren alleen met haar kinderen. Ed, die toen gewoon een vriend voor haar was, maar al jaren verliefd op haar, hield vol en ja, plots zei ze ook ja! “the best thing I did in my life” zei ze dan heel ondeugend tegen me. Zij 56, hij 64 en samen genieten ze van het leven, soms samen, soms apart. Wonen doen ze in Alaska, een land waar van ik dacht, dat daar niets anders dan sneeuw en ijs lag. Niets is minder waar! Ze toonde ons trots foto’s op haar computer van haar prachtige huis, omringd door een kleurrijk bloemenveld en uitzicht biedend op een meer, met op de achtergrond bergtoppen vol gletsjers. In de zomer is het er nooit donker zegt ze, maar in de winter is er nauwelijks licht en dan trekt ze er op uit. Zelfs België is haar niet onbekend, gezien ze in Leuven, ieder jaar ook trouw bijscholing volgt bij een gekende homeopaat. Ze hoorde reeds over “Bruges” maar is er nog nooit geweest, we spraken af wanneer we terug in België zijn, we haar een uitgebreide toer cadeau doen! Ze ging gretig op ons voorstel in. Voor volgend jaar heeft ze eerst nog een ander “avontuur” voor de boeg. Vietnam…wanneer ze het zegt, worden haar ogen dof. Ze was er toen ze 21 was en nu wil ze pas terug….het was er oorlog en vol moed vertrok ze naar het front, net afgestudeerd als verpleegster-vroedvrouw. Ze had de “mooie” propaganda films gezien en dacht vele levens te kunnen redden en een romance met een of andere dokter te hebben. Na een jaar keerde ze getekend en ziek terug. Ook bij haar hadden de napalmgassen hun werk gedaan, ze kreeg diabetes. Eind dit jaar krijgt ze voor het eerst 100$ per maand als smartgeld….Ze hielp op beide fronten en de levens die ze dacht te redden, werden meestal in een plastic zak gestopt, zowel pasgeboren baby’s als jonge soldaten. Toen ze terug thuis kwam werd ze door iedereen met de vinger gewezen, aangezien ze “voor” de oorlog was…ze zweeg dan ook lange jaren over dit trauma. Nu is ze er klaar voor, vindt ze zelf. Sara, we wensen je nog vele mooie “avonturen” toe, we genoten van je “levenshumor” en jij, blijft een “deel” van ons avontuur…Vaja Pwez! Linda FAMOUS IN COPAN 44 dagen zijn we nu al in Copan. Verder reizen zit er op dit moment nog niet in, gezien de gezondheidstoestand van Aimé, die nog op krachten aan het komen is. Onze reis beperkt zich nu noodgedwongen tot Copan en omgeving, maar dat is zeker niet minder boeiend. Vandaag zijn we terug in onze “El Cisne” kamer. Na eerst een paar dagen hond-en katsitting in het huis van Geert en Annemie, heeft ook Carin Steen, weet je nog, de kunstenares van Copan Pinta, beroep op onze diervriendelijkheid gedaan. Vier dagen verbleven we in haar leuk huis en hadden we gezelschap van twee honden en negen poezen! Twee moederpoezen en zeven kittens, ja, net iets voor mijn poezenhart… maar ook de honden stalen ons hart. Loeka en Monster en ja die laatste heeft zijn naam niet gestolen. Een kruising tussen een Rottweiler en een Pitbull, maar een doetje! Monster is in het ganse dorp gekend en aangezien we iedere dag, met “miss” Loeka, die vooral wil gezien en gehoord worden en “meneer” Monster naar de rivier gaan voor hun dagelijks toilet en speeluurtje, beginnen ook wij hier “bekendheid” te verwerven. Hier en daar wordt er naar ons gewuifd, of houden mensen ons al eens tegen voor een praatje hoewel dat praatje nog heel beperkt is gezien onze kennis van het Spaans. Copan is heel klein, maar bruist van energie. Om zes uur ’s morgens loopt iedereen al op straat, de winkeltjes en de markt, openen om zeven uur. Op de markt die zich op een binnenpleintje bevindt en waar raar genoeg weinig “gringo’s” lopen, zijn we dagelijkse klanten. Wat we zoal kopen? Gezien we nu meestal ons eigen potje koken, kopen we vooral groenten en fruit, wat zowat het enige is dat goedkoop is. Bananen, mandarijnen en appelsienen zijn het goedkoopst, die kosten 1 lempira per stuk en dat is nog geen 2 belgische frank! Reuzenpompelmoezen, die hier overheerlijk zijn, kosten 2 lempiras. Verder kopen we druiven, papaja, ananas, tomaten, aardappelen, komkommer, selder, wortelen, bonen en avocado’s, waar Aimé heerlijke “guacamole” van maakt! Dat is een pasta van avocado, tomaat, look en verse koriander….hmm, om uw vingers af te likken! Verder eten we rijst en deegwaren. Vlees vermijden we, gezien de slechte hygiënische toestanden hier en vis is buiten een doos tonijn, onverkrijgbaar. Gelukkig is er een pupuseria, dat is de naam van de lokale eethuisjes, waar we op dinsdagmiddag verse vissoep opgediend krijgen voor 45 lempiras, wat volgens de prijzen van de overige maaltijden duur is. Voor een baleade, een grote tortilla, besmeerd met bonenpasta, room en ei betaal je 10 lempiras en voor een pupusa, een kleine, maar dikkere tortilla, waarvan je de inhoud zelf kan kiezen, betaal je 5 lempiras en beiden zijn zeer lekker! Het enige wat we hier missen is een bakkerij…misschien een idee voor een Belgische bakker, die het in België niet meer ziet zitten? Wel, degenen die zich afvroegen wat wij hier “zoal” eten, zijn uitgenodigd…. Wie hier ook “famous” is, is Carin Steen, maar op dit moment niet in de goeie zin. Buiten Copan Pinta houdt ze zich ook bezig met de rechten van de kinderen en onlangs kwam ze in aanvaring met Donna Daisy, de eigenares van het wees- of “shelterhouse” zoals het hier genoemd wordt. Die heeft niet echt goede bedoelingen met kleine kinderen. Geld die toeristen achterlaten steekt ze in haar zak en eten die gebracht wordt gebruikt ze voor haar eigen restaurant! Het resultaat is dat nog weinig eten gebracht wordt en je alleen maar kan toekijken naar dit “onrecht”. Verder laat ze ook door de politie kinderen van de straat oppikken, omdat het zogezegd bedelaars zijn. Op dit moment zijn er al een paar kinderen spoorloos, waarvan de ouders natuurlijk radeloos zijn. Carin heeft zich openlijk tegen haar verzet, maar Donna Daisy heeft blijkbaar heel veel invloed in Copan en die heeft op haar beurt, via radio en tv, een anti-campagne opgezet. Ze heeft nu Carin zo het vuur aan de schenen gelegd dat ze voor een tijdje Copan dient te verlaten zodat ze het land niet uitgezet zou worden. Gelukkig weet iedereen welke positieve dingen Carin hier doet en het laatste nieuws dat we gehoord hebben is dat de Verenigde Naties haar onder hun bescherming zal nemen. Iedereen wacht met spanning af! Op dit moment nemen Lise en Ronald, een Nederlands koppel, die zichzelf de “eeuwige vrijwilligers” noemen en die voor Carin werken, onze taak over. Lise is fotografe en Ron reist het land rond, om via filmvertoningen toch wat cultuur aan de plaatselijke bevolking bij te brengen. Het lijkt voor ons ongelofelijk, maar de meeste mensen in Honduras hebben nog nooit een film gezien! Copan behoort tot de uitzonderingen en wordt hier dan ook het paradijs van Honduras genoemd. We worden hier geconfronteerd met grote rijkdom en bittere armoede, maar proberen zoveel mogelijk “oordeelloos” te zijn, wat niet altijd gemakkelijk is. Iemand die deze oordeelloosheid hier in de praktijk uitvoert, is Lindsay Hill, een blanke “Engelsman” uit Zimbabwe, die hier de directeur is van de Mayatanschool, een school die opgezet is met buitenlandse fondsen voor plaatselijke kinderen. De kinderen worden er in het Spaans en Engels opgeleid door plaatselijke en buitenlandse leraars en leraressen, die 200 $ per maand verdienen. Hijzelf verdient 300 $. De “rijke” ouders betalen 70 $ per maand, voor de “armen” is het gratis. Zo wordt volgens “master Lindsay”, zoals de kinderen hem noemen, de kloof tussen arm en rijk wat kleiner, aangezien “evaluaties” van de kinderen gebeuren in “meetings” die voor alle ouders toegankelijk zijn, en waar zowel de burgemeester als zijn poetsvrouw aanwezig zijn. Hij noemt zijn school dan ook terecht “opvoeding van kinderen en volwassenen”. Toen hij ons rondleidde waren we dan ook aangenaam verrast van zowel het concept als van de school zelf, die onberispelijk netjes is en zeer mooi gelegen is midden in de natuur. De kinderen zijn om 6u op school, krijgen ontbijt en middagmaal en dragen een net uniform. Hopen blije kinderen zagen we er. En een stuk van die blijheid namen we mee naar huis… vaja puez, Linda
TIJD 9-12-2004 11u30…. De binnenkoer van het EL Cisnehuis. Eddy en Carlos zijn naar de Finca met toeristen, Ron kruist opnieuw Honduras door met zijn Filmfestivals, Lise probeert naam te maken als professioneel fotografe, Aimé is gaan wandelen en ik blijf noodgedwongen alleen achter in het huis. Mijn dagelijks zonnebad…. “hoe hou je het in hemelsnaam uit in die brandende zon?” vragen ze hier in het huis. Ja, die “hemelsnaam” is voor mij een verbintenis met de hemel, die op dit moment en zoals de meeste dagen azuurblauw is, met hier en daar wolkenpakketjes, die af en toe de felheid van de zon verbergen. Op mijn lichaam drijven kleine waterige pareltjes en af en toe voel ik er ééntje als een dauwdruppeltje langs mijn huid lopen. Vanaf mijn schouder volg ik ze terwijl ze langzaam naar beneden glijden. Ik geniet intens! Ik laat de warmte van de zon over me heen stromen en vul mijn ganse lichaam ermee. Terwijl ik geniet bedank ik de zon dat ik tijd heb om van dit geschenk te genieten. “Tijd” een door onze wereld gecreëerd begrip, waar we nauwelijks “begrip” voor hebben. Even stilstaan erbij? Doen we niet, we hebben geen tijd…. Wanneer ik aan thuis denk, zie ik mensen die druk bezig zijn hun kerstboom te versieren, zich afvragend welk geschenk ze voor wie zullen kopen. Het is een beetje raar, zelfs moeilijk om mij voor te stellen dat we in de kerstperiode zijn, hoewel ook hier in Copan alles in gereedheid wordt gebracht om het nieuwe jaar te verwelkomen. Een kerst in temperaturen tussen 25 en 30 graden is in België onmogelijk zoals een witte kerst hier onmogelijk zou zijn. Wat een verschil in één en dezelfde wereld met één en dezelfde zon. Toen we vertrokken, nu bijna twee maanden geleden, kozen we voor tijd om Latijs Amerika door te trekken. Niet dat onze verwachtingen zo hoog lagen, we waren bereid om de tijd zijn gang te laten gaan. Hebben we niet een heel jaar tijd ? Toch maakten we plannen voor december… Guatemala en Mexico, op naar het grote avontuur. De tijd besliste er echter anders over. Tien dagen geleden verstuikte ik mijn voet. Op dit moment kan ik amper lopen. We aanvaarden de tijd die ons gegeven wordt om “niets” te doen. Een “niets” dat zich uit in eten, drinken, ontspannen en veel slapen. Verder lezen we elkaar voor, genieten, masseren en helen we elkaar. We noemen het, reizen in onze relatie en onszelf… en het doet deugd, want ook dit is avontuur en ontdekken. We beseffen dat we bij deze “vertraging” ons tempo zullen moeten aanpassen en onze reisplanning gewijzigd zal worden. Aimé heeft weinig kracht om grote afstanden af te stappen, en ik, ja, ik zei het al, ik kan amper lopen. Dinsdag 30 november gebeurde het. Een drempeltje van enkele centimeter, maakte het verschil in ons tijdsbesef. Dr. Handal, of “Dr. Bocky” zoals de mensen hem hier noemen herkende ons en lachte toen ik zei “tengo torsedura mi pie”… Ik had nog hoop, maar hij zei dat het wel een tijdje kon duren. Woensdag, de dag nadien had ik het even moeilijk toen ik besefte dat mijn linker voet voor de tweede keer in mijn leven niet meewilde. Net nu ik tijd heb om de wereld te ontdekken. Ik troostte me door te zeggen dat het niet zo erg was als vijf jaar geleden. Toen duurde het een half jaar voor mijn voet genezen was. Nu geef ik hem tijd wat ik toen niet deed. Mijn voet zal bepalen wanneer we naar Guatemala en Mexico gaan. We hebben tijd…. Vaja pwez! Linda Kerstkaartjes... Kerstkaartjes schrijf ik nooit, of toch bijna nooit. Uit pure schaamte beantwoord ik al wel eens een kaartje, dat geschreven door een volhouder, in mijn brievenbus is neergestreken, want uiteraard moet ik er ook niet op rekenen kaartjes te ontvangen wanneer ik er zelf geen schrijf. Of ik dat erg vind? Helemaal niet! Kerst en Nieuwjaar gaan ook zo voorbij… En of ik dan niets te wensen heb? Natuurlijk! Vrede, voorspoed en geluk zijn er enkele van, die staan trouwens ook op de meeste kaartjes voorgedrukt. Het verschil is dat ik deze wensen aan iedereen, het ganse jaar door toewens. Copan Ruinas, Honduras, Kerst 2004. Geen adres, geen brievenbus, geen kaartjes! De meeste Hondurezen houden er wat kerstkaartjes betreft, dezelfde mening op na als ik, want kerstkaartjes zijn hier onbestaande en uiteraard ook niet te koop. Je vindt hier wel plastieken kerstbomen, nepsneeuw en kerstmanpoppen, maar kerstkaartjes, neen. Trouwens, mochten ze toch bestaan en je zou ze willen versturen met de Correo (post), dan heb je kans dat ze eerst rond aswoensdag ter bestemming komen. Kerst 2004. ik maak een uitzondering en wens voor iedereen Vrede en alle goeds. Geniet van de Stille Nachten of de Jingle Bells en de koude motregen. Koester je vent, je vrouw, je kroost en vergeet even dat de helft van je eindejaarspremie naar de belastingen gaat. Hoewel het hier lijkt alsof de Kerst zich van seizoen heeft vergist en niet de dennenappels maar wel de cocosnoten van de bomen vallen, probeer ik toch in de sfeer te raken…dit jaar eten we Kerstpapegaai. Feliz Navidad! Aime Wat is het verschil tussen een tweeling en een waterman? Een tweeling babbelt graag, een waterman zwijgt…een tweeling houdt van drama, een waterman niet…een tweeling schrijft kerstkaartjes, een waterman niet… Kerst, of toch de periode die er aan voorafgaat. Ik heb net de laatste bladzijden van “Zout op mijn huid” gelezen. Het slot wakkert de somberheid aan die me gewoonlijk in deze periode ten deel valt. Ik huil. Aime troost me. Hij weet hoe graag ik fictie en werkelijkheid vermeng en stelt voor om nog een wandelingetje te maken en wat kerstsfeer op te snuiven in het stadspark. Stil en hand in hand lopen we over het versierde en sfeervol verlichte plein, waar het zoals iedere avond trouwens, een drukke bedoening is. Spelende kinderen, verliefde koppeltjes, ouders met kinderen, ouderlingen. Ze zitten er allemaal. Er wordt heel wat over en weer “ge-buenas noched”. Na twee maal het parkje te zijn rondgelopen, vraagt Aime of het voldoende is om mijn verdriet lost te laten en naar huis te gaan. Ik zeg ja, en stil lopen we terug naar onze eigen woning. Enkele kaarsjes zorgen voor een sobere kerstsfeer. Aime vraagt of ik nog iets wil schrijven rond Kerstmis. Wat hebben een tweeling en een waterman gemeen? Ze schrijven graag, elk op hun manier. Dit jaar zal ik weinig of geen kerstkaartjes schrijven. “enkel voor diegenen die geen internetverbinding hebben”, zeg ik tegen Aime. Hij lacht, naar weet wat er in mij omgaat… Deze Kerst zal voor mij anders zijn, ver weg van ieder die ik liefheb. Met kerstavond zal ik niet dansen met mijn kleinkinderen. Geen sneeuw, warme rum of wijn, geen kachel om naast te genieten, maar wel veel zon, veel groen en veel avontuur om het nieuwe jaar in te zetten… Maak van 2005 een gelukkig en vredevol jaar! Dat is wat ik jullie toewens… Feliz Navidad! Linda
BUSSEN EN ZO... BUSSEN EN ZO… 1 januari 2005. Na een gat in de dag te hebben geslapen, tracht ik h et nog resterende gat op te vullen met schrijven. Makkelijk zal het niet worden want de nieuwjaarsmoeheid hangt als een zwaar kleed over mij. De voorbije nacht werd, na het oude jaar te hebben weggegeten aan het buffet in het Via-Via café, het nieuwe jaar tot in de vroege uurtjes ingedanst. Slaap beperkte zich tot enkele uren want om zeven uur ’s ochtends vond Isa, de labrador van het huis, het absoluut nodig om haar acht zuigelingen naar een andere plaats te verkassen. Een gekrijs en een gepiep alsof een ganse biggenstal werd afgeslacht. Het gebeuren speelde zich af onder onze slaapkamerraam…er zijn andere manieren om op een nieuwjaarsmorgen te ontwaken. Enige tijd was het stil op de nieuwe stek van Isa en haar jongen, tot ze vond dat ook deze nestplaats niet zo geschikt was. Hetzelfde ritueel herhaalde zich. Gekrijs van tegen hun zin verplaatste puppies. Weer wakker. De gedacht om dan toch maar op te staan werd even vlug naar de achtergrond verdrongen dan dat ze was opgekomen. Mijn weerspannig lijf vroeg platte rust. Het was na elven dat ik mij er van bewust werd dat ik een gat in de dag had geslapen en het was ook op dat moment dat ik met een voornemen passend voor de dag, besloot om te schrijven. Ik ben jou lezer, immers nog een reisverhaal schuldig want intussen behoort het op de luie krent zitten in Copan meer en meer tot het verleden en wordt ik geplaagd door een steeds intenser reiskriebelgevoel. Eén van die kriebels zorgde ervoor dat Linda en ik rond de Kerstdagen één van onze rugzakken inpakten met kledij en benodigdheden voor vijf dagen en we het binnenland van Honduras introkken, bestemming Gracias in het departement Lempira. Naar men ons had verteld zou Gracias een rustig stadje wezen zonder veel toeristische drukte met bijkomend in de onmiddellijke omgeving een hoop natuurschoon, nl. het Nationaal Park aan de voet van de Montana de Celaque. De Montana Celaque is met zijn 2849 m. de kampioen onder de Hondurese bergen. Als bijkomende attractie, deden we het traject van Copan naar Gracias met de “chickenbus”. Even ter verduidelijking: in Honduras, net als in de meeste Centraal-Amerikaanse landen heb je als openbaar vervoer drie mogelijkheden. Dit zijn de “sjieke bussen”, de “chickenbussen” en de minibusjes. Fonetisch klinken de eerste twee vervoermiddelen gelijk, maar dat is dan ook de enige overeenkomst. De sjieke bussen zijn naar plaatselijke normen heel duur, maar er is alles er op en er aan. Airco, toilet, bar en voor lange afstanden een heuse steward. Deze bussen worden meestal gebruikt door toeristen en beter gegoede autochtonen. De chickenbus daarentegen is hét vervoermiddel voor de plaatselijke bevolking en voor de toerist die budgetvriendelijk wil reizen. Chickenbussen zijn in de Verenigde Staten afgedankte schoolbussen die hier aan een tweede leven beginnen en nog tientallen jaren de wegen onveilig maken. Er rijden immers wrakken tussen van meer dan dertig jaar oud die zich voortbewegen met krakende versnellingsbakken en worden omgeven door een aura van zwarte, stinkende en verstikkende rook. Het enige dat nog perfect werkt is de toeter. Meer te onpas dan te pas wordt er getoeterd naar alles wat beweegt, gaande van een deinende vrouwenkont naar een langs de kant lopende muilezel of een straathond. Het echter toeterfeest begint maar eerst aan de busstations waar de aankomende bussen met hoorngeschal hun aankomst kenbaar maken. Comfort is op deze bussen onbestaande. Wanneer je op tijd bent, is het enige dat je krijgt aangeboden een zitplaats. Schoolbussen zijn gemaakt voor schoolkinderen, waarmee ik bedoel dat ook de banken en de afstanden tussen de banken op kindermaat zijn. Voor een groot uitgevallen volwassene is zittend reizen een pijnlijk iets, want ofwel zit je onvermijdelijk met je knieën tegen de (harde) rugleuning van de bank voor je, ofwel zit je met je benen schuin, wat na de kortste keren een pijnlijke rug en zitvlak tot gevolg heeft. Bijgevolg wordt de laatste houding door de medepassagiers niet op prijs gesteld, want op die manier neem je beenruimte van anderen in. Tenslotte nog iets over de minibusjes. Ook hier zijn er privé busjes en publieke busjes. De privé busjes van de touroperators zijn vrij comfortabel en worden gebruikt om toeristen te vervoeren naar de plaatselijke trekpleisters. De publieke busjes proberen de chickenbussen, wat het gebrek aan comfort betreft de loef af te steken. Een busje beschikt over tien zitplaatsen+chauffeur en je kan er uiteraard niet in rechtstaan. Toch slaagde de chauffeur van het busje waarin wij meereden er in om zijn aantal passagiers op te voeren tot negentien, plus bagage. Een bagagerek op het dak was er niet…toen het binnenin dan toch een beetje te overvol werd, zette men gewoon de schuifdeur open zodat een deel van de passagiers half binnen en half buiten werd vervoerd. Hun enige houvast was de dakrand van het busje… Terug naar onze reis naar Gracias. Het was 23 december toen we heenreisden en heel Honduras was blijkbaar wel op weg naar ergens, met als gevolg overvolle chickenbussen. We zaten tussen op hun kerstbest uitgedoste families die zich tegoed deden aan schaaltjes gebraden kip met sla of tortillas met frijoles (bonenpastei). Niet morsen was de kunst want de chauffeur die ons naar Santa Rosa moest brengen – onze halteplaats waar we moesten overstappen voor Gracias – was een rodeorijder op leeftijd. Hij had het uitermate moeilijk met voorliggers op de weg. Alles wat kon worden ingehaald werd ingehaald, ook op de bochtige bergwegen. Verstand op nul en er het beste van hopen was de enige manier om met deze vorm van doodsverachting om te gaan. Voor Gracias, onze eindbestemming, waren er heel wat gegadigden, meer dan de bus aankon…dachten we. Toen we de bus opstapten was deze, naar mijn normen, vol, d.w.z. alle plaatsen waren ingenomen. Dat mijn normen heel relatief zijn werd me nu wel duidelijk gemaakt en het begrip “vol” diende ik ook te herzien. Zitplaatsen bedoeld voor twee achterwerken werden aangepast naar twee en een half achterwerk, zodat er aan het uiteinde van elke bank een kaak doelloos in het gangpad hing, blauwgepord door de rechtopstaande reizigers. Ik mocht niet klagen want naast mij in het gangpad stonden twee welgevormde benen van melkchocolade. Voor deze benen van naam veranderden werden zij bedekt door een minuscuul stukje minirok. Best aangenaam om op die manier dat anderhalfuur durend haring-in-een-tongevoel even te vergeten. De voorkant van de benen en de bijbehorende torso heb ik echter nooit te zien gekregen, maar met het spreekwoord indachtig “wie de achterkant niet begeert is de voorkant niet weerd”, voelde ik me best tevreden. Gracias, Lempira. Het busstation. Diegenen die dachten dat dit het einde van de beproeving was hadden het mis want de bus verlaten ging niet zomaar. De ckickenbus had nl. twee uitgangen, een vooraan en een achteraan, tevens de nooduitgang. Deze laatste was vergrendeld! Er moest vooraan worden uitgestapt want de bustiketten dienden terug te worden ingeleverd bij de chauffeur. De zwartrijders werden er alzo uitgefilterd. Dat zwartrijden in Honduras ook een nationale sport is was wel duidelijk want het duurde een heel lange tijd alvorens de autobus was leeggelopen. Linda en ik waren de twee enige Gringo’s op de bus en bij het uitstappen hadden we heel wat bekijks. Er stond immers een massa volk – vrienden en familie – die de busreizigers bij hun aankomst verwelkomden. Dat ze daarbij nog twee bleekscheten te zien kregen was bonus… Kerst in Gracias en eten bij Alejandrina wordt leesvoer voor volgend reisverslag. Alegria! Aime ANTIGUA ANTIGUA 7 januari 2005. Copan…om 10 u. staan we vertrekkensklaar. Geert en Isa vergezellen ons naar de bushalte waar nog 10 andere reizigers hetzelfde busje zullen nemen naar Antigua, Guatemala. Einjdelijk is het zover en na zes uur rijden zullen we 400 km. verder zijn op onze reis. Wij zijn blijkbaar de enigen die Antigua kennen. Wij krijgen een plaatsje naaast de chauffeur, een vriendelijke indiaanse Guatemalteek. Ik ben apetrots wanneer een van de medepassagiers opmerkt dat ik toch wel een aardig mondje spans spreek. Dat lijkt echter alleen maar zo voor iemand die er nog absoluut niets van snapt. Maar goed, ik doe mijn best en blijf proberen… Antigua… we komen terig in de “moderne” wereld, met inclusief taart, onbestaande in Honduras. Hotel Sancta Lucia, klinkt en oogt mooi “very quiet” zegt de eigenaar uitnodigend, “only 20 $”. Hij laat ons de kamer zien in het koloniale huis, ooit gebouwd door de Spanjaarden, zoals trouwens de meeste huizen hier. Met zijn drie verdiepingen is het indrukwekkend. Authentieke balustrades in hout en natuursteen… deze stad verdiende dan ook zijn naam, aangezien hier bijna alles nog in “antieke” staat gebleven is. “OK, we take it” eenmaal alleen in de kamer voelt het nogal onpersoonlijk na de familiale sfeer in het El Cisne huis in Copan. We pakken onze spullen uit en gaan, ja, taart eten! Het is moeilijk kiezen waar we dit zullen gaan doen, gezien Antigua volledig gebaseerd is op consumeren. Na drie maanden van onthouding kiezen we voor café Condesa, “the place to be” in Antigua. Het is even wennen aan de luxe en de immense overvloed aan al dat lekkers…maar de taart smaakt! Voldaan keren we terug naar het hotel en eenmaal aangekomen weten we niet wat we zien. Naast het hotel in een klein restaurantje hangt nu een groot spandoek met daarop geschreven “nueva discoteca”. Zonder iets te zeggen kijken we elkaar aan en gaan onze kamer binnen. Michael Jackson doet de muren daveren! Aime stelt voor om een ander hotel te zoeken, maat gaat vooraf het geld terugvragen. De baas is echter nergens meer te bekennen en de nachtwaker kan niets doen. Ik stel voor dat hij gaat kijken of er nog plaats is in La Merced, het hotel waar we ook in oktober verbleven. Ik pak intussen in en probeer alsnog te onderhandelen met de nachtwaker. Na wat heen en weer getelefoneer met de eigenaar krijg ik uiteindelijk 10 $ terug. La Merced…terug een beetje thuiskomen. We boeken onmiddellijk twee nachten, wat ons uiteindelijk 56 $ gaat kosten. Boven ons budget, maar liever dat dan twee nachten een verplicht dansnummer in ons bed… De twee volgende nachten verstoort inderdaad niets de stilte en we slapen zalig aan een stuk door. Zondag 9 januari…voor we vertekken naar Panajachel, zo’n 125 km verder, trakteren we ons nog op een zondagbrunch in hetzelfde café Condesa. Vers fruit, yoghurt, pannekoeken,cake, taart, quiche, franse aardappelsla, broodjes, spaghetti, sla, groenten, etc…a volonte. Na drie maanden Honduras zijn we overtuigd, Antigua is het Parijs van Guatemala ! Alegria. Linda Lichte paniek... Lichte paniek en een vaag schuldgevoel bekruipt me wanneer ik tot de vaststelling kom dat ik U lezer, nog een hele rits reisverhaal onthouden heb. Even, laat ik maar eerlijk wezen en zeggen een 4-tal weken, had ik een literair dieptepunt of misschien nog beter een schrijfdepressie. Literair klinkt zo hoogdravend. Tijdens de gedwongen weken rust in Copan en mijn verblijf in Atitlan (hierover later meer), stelde ik alles in vraag. Ik had zoveel persoonlijks te verwerken en op een rijtije te zetten dat het schrijven van reisverhalen mij teveel bewegen aan de oppervlakte leek. Samen met de oude huid die ik bij het genezen van Dengue had afgeworpen, had ik ook een deel van mijn oude “ik”, samen met mijn koorts verbrand. Dit process was nogal ingrijpend en stelde me niet in staat wat zinnigs op papier te zetten. Nu ben ik er terug. Tijd, die je de tijd laat, is een prima heelmeester. Om een beetje volledigheid te bewaren wat mijn reisrelaas betreft, moet ik terug naar de Kerstdagen van 2004. het was in Gracias, Honduras… Als je enkel op je gehoor zou voortgaan leek Gracias meer een stadje waar een burgeroorlog heerste dan op de vredevolle stek die men ons had voorgespiegeld. Voetzoekers, knalbommen en vuurwerk werden bij karrevrachten aangevoerd en afgestoken. Dat we Copan voor enkele dagen wilden de rug toekeren was onder andere om van dit vervelende geknal af te zijn. In Gracias was het zo mogelijk nog erger. Toen Linda en ik de bus afstapten – was dit niet het slot van een vorig reisverslag? - was de straat die ons naar het centrum van de stad leidde langs weerskanten volgestouwd met kraampjes, allen met dezelfde inhoud, knalbommen, voetzoekers en vuurwerk. Eens aan de man gebracht ging deze koopwaar onmiddellijk in rook op. dagenlang stonken de straten naar kruitdamp en werd men opgeschrikt door bommetjes die vanuit een steegje of portiek achter je hielen tot ontploffing werden gebracht. De dagelijks door de kranten vertoonde foto’s van verbrande en verminkte kinderen hadden blijkbaar geen enkel effect. In het hotel waar we verbleven hadden we via het terras een mooi uitzicht over de stad. Vanaf deze plek konden we de burgeroorlog van op afstand volgen en zagen we de kruitdampen boven de huizen opstijgen. Hier zouden we dus de kerstdagen doorbrengen. Het werd inderdaad een Kerst als nooit tevoren. Aangezien het restaurant van het horel met de feestdagen de deuren sloot, waren we genoodzaakt om in het stadje op zoek te gaan naar een alternatief voor de kerstkalkoen, de kroketten en de appelspijs. De vuurwerksalvo’s en voetzoekers trotserend, dweilden we het stadje af op zoek naar wat feestelijks. De meeste restaurants en eethuisjes hadden echter het voorbeeld gevolgd van onze hoteluitbaatster en hielden hun deuren gesloten, behalve… Bij Tjang’s Garden brandde licht en stond een plastieken kerstboom nerveus te knipperen. Aan de inkomdeur plakte een bebaarde kertsman die ons „welcome“ heette. Achter de balie zat een dienster verveeld naar een Amerikaanse soap te kijken. Het restaurant was leeg. We kregen een beduimelde kaart waar de Chinese gerechten in het Spaans werden opgesomd. Gelukkig is wat het aanbod betreft, de Chinese keuken over heel de wereld hetzelfde en de schrijfwijze van Chap Shoy verschilt niet zoveel in de Spaanse taal. We kozen echter voor een vegetarische groentenschotel en een rijstschotel met paddestoelen en garnalen. De berg rijst die we een kwartier later kregen voorgeschoteld deed ons duizelen. We gingen er van uit dat deze portie zou moeten gedeeld worden met de drie jongeren die intussen aan de tafel naast ons hadden plaatsgenomen. Neen, dit was voor ons alleen! Het voordeel van deze immense berg was dat de erbij horende garnalen alle kans kregen om verstoppertje te spelen. Slimme rakkers waren het want je moest de hele berg overhoop halen om er enkele in hun schuilplaats te kunnen verrassen. Toen op het einde van de maaltijd de berg bijna gesloopt was, kon het niet anders of een heel aantal moesten het hazepad gekozen hebben... We bestelden geen koffie achteraf, want die was er niet. Onder het nog steeds verder woedend krijgsgeweld liepen we terug naat het hotel en werden er opgevangen door James Bond, die ons voor de rest van de avond vergaste op „Die another day“. We hadden een pick-up besteld, die ons op tweede kerstdag naar de ingang van het Parque Celenque bracht, zo’n 12 km. van Gracias verwijderd. In een vorig reisverhaal vermelde ik reeds dat dit park de hoogste berg van Honduras huisvest, nl. De Puncto Celenque (2.849 m). Aan de ingang van het nationaal park bij het boswachtershuisje moesten we ons registreren, kwestie van toch een naam in de krant te kunnen zetten mochten we een ravijn instuiken, en diende er ook inkom betaald. We werden verwelkomd door Alejandria, een oude tandeloze en haveloze vrouw, die samen met haar drie zonen, berggidsen, zorg dragen voor de bezoekers. Ons plan was om een eind het nationaal park in te wandelen (een behoorlijke klim) om daarna te voet terug te keren tot Gracias. De top van de berg halen zat er toch niet in, de voet van Linda was nog niet helemaal genezen. Alejandria zou voor ons koken, zo had ze beloofd. Wanneer we op de terugweg haar huis zouden passeren, zou alles klaar staan. Intussen hadden we al vernomen dat de door haar bereide „frijoles“ (gerecht op basis van rode bonen) onovertroffen waren. De natuur was enig mooi, ongerept en opgeluisterd door de achtergrondmuziek van een in de verte klaterend bergbeekje. Immens hoge bomen zorgen ervoor dat we in de schaduw konden lopen. Op enkele werklieden na, die ons pad kruisten, hadden we de natuur voor ons alleen. Na ongeveer een uur fiks te hebben doorgestapt, hielden we bij een watervalletje halt. Vanaf hier keerden we terug. De voet van Linda had genoeg geklommen. In de schuur stond de tafel gedekt naast een berg zand, enkele kisten en een versleten kinderbed. De huishond (ondefinieerbaar ras) was niet uit onze omgeving weg te slaan. In de tuin stond voor het open vuur Alejandria in haar potten te roeren. „Nog even en het is klaar...“ dachten we uit haar tandeloze mond te begrijpen. Dampende schalen verschenen op de tafel. Rijst, rode bonen in saus, bonenpuree, ayote (een soort courgette) en maniok. Daarbij een sla van tomaten en kool. In een mandje, gewikkeld in een doek werden dampende tortillas opgediend. Intussen was er nog een eter komen bijzitten. De jongste kleinzoon van Alejandria liet zich ten volle gaan aan de smakelijk uitziende borst van zijn moeder. Even stond ik in twijfel of ik wel voor de bonen van Alejandria zou kiezen… 12 km. en enkele uren verder waren we terug in Gracias. Het was mooi, het was lekker en even konden de voetzoekers in de straten ons geen barst schelen. Alegria, Aime (en in het vervolg laat ik jullie niet meer zo lang wachten OVER INDIANEN, SHIATSU, PIRAMIDES, OPOSSUMS EN... PATTY Zondag 9 januari 2005…Om 15 u rijden we Panajachel binnen en nemen we afscheid van onze drie medereizigers. Wij waren de enige „toeristen“ en gedurende de twee en een half uur durende rit kregen we heel wat informatie over Guatemala. In ons gezelschap bevondt zich nl. Een Amerikaans echtpaar waarvan de man verschillende jaren vrijwillig als dokter heeft gewerkt in Guatemaltaanse ziekenhuizen. Verder was er ook nog een engelse vrouw die een jaar gelden nog hoofd van de afdeling radiologie in een engels ziekenhuis was, maar nu een diploma antropologie heeft behaald. Ze was op weg naar een bijeenkomst van vrijwilligers uit verschillende landen (ook twee Brugse meisjes behoorden tot deze vrijwilligers). Ze gaan Indiaanse massagraven blootleggen en onderzoeken, om zo aan de weet te komen hoeveel Indianen er gedurende de burgeroorlog zijn vermoord. Dit zou wel eens een heel karwei kunnen worden aangezien die burgeroorlog bijna 35 jaar heeft geduurd en pas in 1997 een einde kende. Men spreekt nu over 200.000 doden maar dat kunnen er veel meer zijn. Deze vrouw was zich daarvan ten volle bewust en ze wist ook te vertellen dat hun werk niet in dankbaarheid wordt onthaald. De regering wil immers deze moordpartijen zoveel mogelijk in de doofpot steken. Zelfs nu, nu de oorlog voorbij is zijn er regelmatig relletjes tussen de politie en de Indianen. Hoewel ze 60 procent van de bevolking uitmaken, worden ze nog steeds onderdrukt hoewel hun oude cultuur gebruikt wordt om inkomsten uit te toerisme binnen te halen. Hun mijnen worden leeggehaald en ook hun mais akkers worden nu voor exportgewassen gebruikt. Mais is voor de Indianen heel belangrijk als voedingsmiddel en volgens hun Mayareligie de kern van alle leven. Dat ze zich niet zomaar laten doen spreekt voor zich.... We worden afgezet aan ons hotel, temidden van een straat die niet lijkt te eindigen. Langs weerszijden volgepropte kraampjes, waar alle soorten Maya artisanaat te koop wordt aangeboden. „el Viajero“ het hotelletje dat we via Footprints, onze reisgids, uitgekozen hebben is maar een mager afkooksel van La Merced in Antigua. Maar goed, het is slechts voor een nacht en we besluiten er te blijven. We laten de rugzak op de kamer en lopen de rest van de straat af, naar dat wat eindelijk onze bestemming van deze trip was, het meer van Atitlan. Wanneer we bij het meer aankomen, stellen we vast dat we het Parijs van Guatemala hebben ingeruild voor het Benidorm van Guatemala. Het ene restaurant naast het andere, waar obers luidskeels de menu’s aanprijzen en alsof dat nog niet genoeg is, worden we bestormd door Maya vrouwen en kinderen die bijna smeken om hun spullen te kopen. Hoe meer aanstalten we makem om van hen weg te gaan, hoe meer de prijs naar beneden gaat. Het enige wat we echt willen is gewoon van de zon en het meer genieten en op een afgelegen plaats doen we dat dan ook. Wanneer de zon ondergaat wordt het ineens bar koud en steekt er een snijdende wind op. Deze wind heeft hier een naam, nl. El Xocomil (lees chocomil) en het hoogtepunt van zijn capaciteit ligt tussen januari een maart, dus we kunnen er ten volle van genieten! Binnen de kortste tijd lopen de straten leeg en lijkt Panajachel een spookstad. De nacht is heel eng. Xocomul raast voorbij en rukt aan deuren en vensters. De boom voor het raam van onze hotelkamer tekent zich spookachtig af op de muren... wordt vervolgd... Alegria! Linda OVER INDIANEN.... DEEL 2 …de volgende dag vertrekken we dan ook zonder spijt naar San Marcos La Laguna, een afgelegen dorpje langs het meer. Aangewezen door verschillende mensen, als zijnde een spiritueel oord. We worden met te veel mensen in een klein bootje gestopt, de snelste manier om bij het dorp te geraken. Na 45 min. Leggen we aan. Het ene “healing” centrum na het andere, biedt hun diensten en cursussen aan. Shiatsu, reiki, accupunctuur, kinesiologie en alle mogelijke soorten massages, zijn er in aanbieding. Een van de centra’s noemt zichzelf “Las Piramides” en alle verblijfplaatsen zijn dan ook in piramidestijl gebouwd. Leuk om te zien allemaal, maar we kiezen voor “Il Giardino”. Een klein in hout opgetrokken, pretentieloos hoteletje, omgeven door een mooie tuin. Er zijn 4 kamers, 2 op het gelijkvloers en 2 op de bovenverdieping, met gemeenschappelijk sanitair. We installeren ons in de grootste kamer boven, die heel gezellig en warm aanvoelt. De eigenaars zijn Manuela, een Italiaanse, die al 15 jaar in San Marcos woont en haar huidige partner Ito, uit Costa Rica. Ito spreekt vloeiend Engels en blijkt ook een perfecte gastheer te zijn. We boeken direct 5 nachten! Nacht. Ditmaal worden we niet wakker gehouden door de wind, maar worden we opgeschrikt door over en weer trappelende pootjes en gegrom van “iets” onbekends. We onderzoeken onze kamer, maar daar is (gelukkig) niets te zien. Dan maar terug onder de wol en hopen dat, wat er zich ook afspeelt, onder de platen van het dak blijft, want daar komt het lawaai vandaan. De volgende dag vertelt Manuela, dat de ruimte onder het dak opossums huisvest. Een volgens haar, onschuldig beestje, die een beetje lijkt op een rat en die ‘s nachts tot leven komt. Op dit moment is het paartijd voor de opossum, vandaar het kabaal die ze maken. We kunnen er mee leven... Vijf dagen van pure rust. We vertoeven het meest van de dag aan het meer en zijn ook moedig om ‘s morgens een fris bad te nemen in het koude water. Het glasheldere water, omringd door een prachtig landschap en vulkanen, is te uitnodigend om er niet in te gaan. Net zoals het Titicaca meer in Peru, zal ook dit meer zijn spirituele geheimen hebben.... De inwoners van de dorpen rond het meer zijn allemaal Indianen en de vrouwen en meisjes, kleden zich nog met de “refajo” een lange felgekleurde Maya rok. Ook de eigen taal is hier gespaard gebleven. Er zijn op dit moment nog 23 verschillende Maya talen in Guatemala. De mensen zijn vriendelijk, maar blijven gereserveerd. We slagen er enkel in om praatjes te maken met de kinderen. Een oorlog laat duidelijk zijn sporen na... Wie we iedere dag tegen het lijf lopen, is Rex. Een Amerikaan die steeds rondsjouwt met een grote blauwe sportzak, waarvan we vermoeden dat hij heel zwaar moet zijn. Steeds zegt hij dat hij met ons een praatje wil maken, maar dit schijnt nooit te lukken. Tot de vrijdagnamiddag. We hebben al een beetje afscheid genomen van het meer, aangezien we de dag er op zouden vertrekken.... Voorafgegaan door zijn 3 honden komt Rex onze richting uit, maar deze keer heeft hij de mysterieuze zak niet bij. We doen ons praatje. Hij is een wetenschapper die al 3 jaar vertoeft aan het meer en hij probeert de bevolking tot een ander bewustzijn te brengen, wat betreft hun leefomgeving. Alles wat niet meer gebruikt kan worden, wordt hier nl. op straat gesmeten! Ook langs de grote wegen en in de natuur, vindt je overal lege blikjes van frisdranken, plastiek zakken met of zonder vuilnis, afgedankte potten en emmers, huisraad, enz... Hij is ook slangendeskundige en terzelfdertijd probeert hij ook de panische schrik, die Guatemalanen voor slangen hebben, weg te nemen, zodat ze de dieren niet meer zouden doden. Ieder gevonden slang, is nl. een dode slang... en voor deze heropvoeding gebruikt hij Patty, een bijna 3 meter lange python, die 12 kg. weegt. Wij, toeristen, ook bang van slangen natuurlijk, mogen meegenieten van de speciale slangenshows, die hij wekelijks opvoert, om zo fondsen te verzamelen voor zijn project. Maar morgen vertrekken we, dus de show moeten we (gelukkig) missen en Patty is thuis in de blauwe zak! Aime denkt er echter anders over... hij vraagt aan Rex of we Patty eens mogen zien. Ik stijger als een paard ! Maar mijnen Aime kennende, weet ik dat hij mij wel zal overhalen. “Dit is de ideale manier om je angst voor slangen te overwinnen” zegt hij glunderend. Tien minuten later, in het bescheiden huisje van Rex, kijk ik verbijsterd toe wanneer hij zijn Patty uit de blauwe zak haalt. Hij heeft gelukkig al wat uitleg gegeven over wat een slang eigenlijk is en dat de angst die we ervoor hebben, ongegrond is. Ik slaag er in om mij niet aan te stellen en weeral tien minuten later, zit ik Patty te aaien... Ze voelt helemaal niet koud en slijmerig aan zoals ik dacht, integendeel, ze voelt warm en stevig en ik vind er plots “niets” vies meer aan. Terwijl ik het dier aai en toekijk hoe het zich beweegt, heb ik voor het eerst in mijn leven een gevoel van liefde voor deze diersoort. Een schuldgevoel overspoelt mij, omdat ik slangen steeds verafschuwde en ze liefst naar een andere planeet wenste... “Zie je wel” zegt Rex “angst is een overbodige emotie”. Ik kan enkel “ja” stamelen. We bedanken hem voor deze mooie ervaring en wanneer we afscheid nemen van “crazy” Rex, zoals de meesten hem hier noemen, vertrekken we met een groot gevoel van respect en bewondering voor deze jonge man, die zijn leven totaal wijdt aan mens, dier en natuur. Terwijl ik aan het meer nog wat bekom van de emoties die losgekomen zijn, besluiten we om nog een paar dagen te blijven... We verhuizen naar de benedenverdieping, naar de enige kamer met keuken. Hoewel het in “Il Giardino” heel lekker en niet duur is, is je eigen potje koken nog altijd goedkoper. Wanneer we ‘s avonds gekookt hebben, is het in ons kamertje heerlijk warm! De nachten zijn hier nl. redelijk fris. Terug 4 dagen van zalig niets doen, neen, zelfs niet schrijven... Mexico blijft voorlopig een beetje op de achtergrond, we zien wel hoever we komen, maar we besluiten wel om op woensdag 19-1 naar Quetzaltenango te gaan. Voor we vertrekken gaan we nog afscheid gaan nemen van Roxana, de vriendin van Manuela. Ze woont in Guatemala City, maar heeft ook een huis in San Marcos. Een knappe vrouw van mijn leeftijd, waar we bijzonder goed mee opschieten. Ze doet ons denken aan Mahfam (weet je nog?) maar dan in een oudere versie. Genieten van het leven is haar motto. Wanneer we bij haar huis aankomen, zijn tot onze verbazing ook Rex en Patty op bezoek. Dat is voor mij bonus natuurlijk! Patty is aan het genieten in de tropische tuin en kronkelt zich langzaam voort. Terug even goeiedag zeggen aan haar en een tijdje later zitten we met Patty op schoot! Er wordt zelfs een ware fotosessie van ons genomen... Wanneer het echt tijd is om te vertrekken, weten we dat het meer van Atitlan een hoogtepunt is op onze reis... Que le vaya bien... Linda MEEDRIJVEN MET DE STROOM Meedrijven met de stroom. Meegaan met de gang van het leven. Meebuigen als het riet aan de oever van het meer. Stilte en vrede vinden in aanvaarding van dat wat is, dan is iedere daad een daad van vrede, iedere stap een stap van vrede.” Lago Atitlan, 19/1/2005 De groene balpen waar ik gewoonlijk mee schrijf is un bij Antonio, het jongetje uit San Marcos dat ons uitgeleide deed bij de steiger aan het meer van Atitlan. De balpen waar ik nu mee schrijf is nieuw en doet nog wat onbeholpen, ze stottert bij het schrijven. Of is het de kou die haar parten speelt. De temperatuur in de kamer haalt net de 15 graden. Xela ligt hoog en de lucht is er ijl. San Marcos La laguna was en laat een goede herinnering na. Het meer en de vulkanen maakten me stil en nederig. Het dorp en de omringende natuur zorgden voor een sfeer van vrede en harmonie. Vanmorgen, Linda en ik aan de oever van het meer. Afscheid nemen van negen dagen weg van de wereld. Negen dagen thuiskomen bij jezelf. Linda sprak de wens uit dat we deze rust mogen meenemen voor de rest van de reis. Ik sta er achter… De minibus van Adrenalina tours (geweldige naam wanneer men het rijgedrag van de plaatselijke bevolking kent) bracht ons naar Quetzaltenango. Gelukkig bestaat er voor deze stad een een meer uitspreekbare afkorting, nl. Xela. Henry, de chauffeur bracht ons tot voor de deur, waarachter men niet zou vermoeden dat er een heel woonerf gevestigd was. We logeren in het huis van Lieve Denaux, een vrouw met Brugse roots, die hier in Guatemala al 25 jaar haar stek heeft. Met hard werken en veel geduld heeft ze hier ter plekke een project opgezet samen met de Maya bevolking. Zij is er in geslaagd om samen met deze mensen ambachtelijk textiel van hoge kwaliteit af te leveren en heeft voor dit product een afzetmarkt gevonden in de Verenigde Staten en Europa. Ze praat met een aanstekelijk enthousiasme over haar Guatemala, haar werk, Cuba en de “dingen des levens”. Ook hier zullen we alweer moeilijk weg geraken… We hebben en kamer aan de binnenplaats. Geraniums, Asters en andere veelkleurige schonen staat tot vlak voor onze venster. De middagzon zorgt voor een zomerse warmte in deze Centraal-Amerikaanse winter. De kamer kan echter die warmte niet opsparen tot ‘s avonds en mijn lijf zit nu in een sweater gehuld terwijl mijn voeten zich verschansen onder de donsdeken. Ze zijn warmer weer gewend. Alweer het nodige bekijks vanmiddag toen we de eerste verkennende stappen zetten in de stad. Op het grijze, kortgeknipte haar van Linda raakt men hier niet uitgekeken. Vrouwen stoten elkaar met de ellebogen aan en wijzen met een hoofdknik naar de buitenlandse bezienswaardigheid. Op de Parque Central eten we een zakje versgesneden fruit. Melon, Piña, Sandia, Frejas. Hier worden we niet platgewalst door straatventers en kunnen ongestoord flaneren langs de tortilla- en frisdrankstalletjes. Ik kruip in mijn bed, een beetje onbehaaglijk van de kou. 15 graden, Guatemaltaanse winter. De rust blijft… Alegria y paz… Aimé (20 januari 2005) QUETZALTENANGO Quetzaltenango, de stad… Een koelkastnacht. Na mijn blaas toch al geruime tijd tot haar uiterste capaciteit gedwongen te hebben, zette ik om 5 uur ‘s ochtends mijn eerste stappen in de nieuwe dag. De koude van de tegelvloer drong door het tapijt. 12 graden! Vlug het hoognodige en terug onder de dons. Tot half negen lag ik in mijn bed, wachtend tot de eerste zonnestralen het terras bereikten. Toen ik opstond was ze echter nog niet in staat om de aarde echt op te warmen, maar toch slaagde ze er in om de slaapkamerkou uit mijn lijf te jagen. De douche, waar ik veel van verwachtte was lauw en kon zelfs de ramen van de badkamer niet doen aanslaan. Xela is een luie stad, en voor mij is een stad lui wanneer je om half tien ‘s ochtends, slecht één bakkerij open vindt. Donuts en zoete maisbroodjes op de Parque Central, onder het nodige bekijks van de plaatselijken. Xela is een luie stad, en voor mij is een stad lui wanneer je om tien uur ‘s ochtends slechts één koffiebar open vindt. Het toilet dat ik in deze gelegenheid bezocht vroeg om enige behendigheid. Je broek op je enkels krijgen, dat ging nog. Gaan zitten was een groter probleem. De lavabo zat immers in de weg. Terwijl je aanstalten maakte om te zitten, moest je reeds je achterwerk achteruit steken en terzelfdertijd je buik intrekken, zoniet kreeg je de koude lavaborand ofwel tegen je buik ofwel iets lager. Het rechtkomen was zo mogelijk nog moeilijker. Bij het neerzitten kan je dank zij de wet van de zwaartekracht je broek als vanzelf laten zakken. Bij het optrekken van de broek is deze wet echter niet van toepassing. Met de kin op de rand van de lavabo kon je net ver genoeg reiken om de rand van de broek vast te nemen en kon je langzaam terug rechtop komen. De spoelbak deed het niet en aldus konden de sporen van mijn bezoek niet worden uitgewist. Lichte paniek... De in de koffiebar aanwezige verbuikers alsmede de uitbater hadden me immers de Baño zien betreden en zouden mij er luidens de wet van oorzaak en gevolg, ook zien buitenkomen. Op die manier zouden ze de nalater van de sporen kunnen identificeren. Onder de slechtgeplaatste lavabo stond een emmer, gevuld met water. Ik kon zonder schaamte het vertrek verlaten. De volgende bezoeker zou een andere oplossing moeten verzinnen. De namiddag werd doorgebracht in en rond de Parque Benito Juarez. Ter verduidelijking, een Parque in Latijns Amerika heeft niets te maken het een park zoals we dat in België kennen. Een parque alhier is gewoon een plein voor een kerk of belangrijk gebouw. Er staan meestal bomen en banken en aangeplant in bakken staan prachtige bloemen of struiken. Een parque is een ontmoetingsplaats. Van ‘s morgens vroeg tot in de late avond zijn de banken bezet en wordt er gepraat, gekust, nieuwtjes uitgewisseld, schoenen gepoetst, ijskreem verkocht en gegeten en gedronken aan de talrijke kraampjes. Wat ons echter meer fascineerde was het gebeuren rond de parque. Alle dagen is het daar markt en gonst het van activiteit. Veelkleurig uitgedoste Maya-vrouwen zitten geknield achter hun uitgestald fruit en groenten. Fruit koop je er per gewicht of in porties. Netjes geschilde stukken ananas, meloen, watermeloen, aardbeien en mango’s, worden er in grote manden aangeboden. Zoetekauwen kunnen er indien gewenst ook nog honing laten overgieten. De groenten zien er ook even hapklaar uit en teneinde ze hun frisse uiterlijk te laten behouden worden ze geregeld overgoten met water. In de omringende winkels en gewoon op het voetpad is er alles te koop wat je maar bedenken kunt, landbouwmateriaal, ijzerwaren, pillen en drankjes tegen tandpijn, keelpijn en hoest. Daarnaast potentiepillen en middeltjes om de spieren te versterken, maar ook dames- en herenondergoed, souvenirs, echte Rolex polshorloges uit Taiwan en niet te vergeten het ambachtelijk vervaardigde textiel. Poncho’s, draagtassen, vesten, zakjes en tasjes in alle maten. Om de kooplust van de massa nog wat op te drijven, wordt ten overvloede gebruik gemaakt van schreeuwerige muziek en schelle luidsprekers waarbij de verkopers elkaar wat lawaai betreft, proberen te overroepen. Resultaat: alles smelt samen tot één kakafonie van klanken waaruit niets verstaanbaars voortkomt. Voeg daarbij nog de toeterende chickenbussen en taxi’s en de chaos is compleet. Nou chaos, voor ons gringo’s wel, maar van de plaatselijke bevolking is er niemand die zich daaraan stoort. Of ik er ooit aan ga wennen weet ik niet... Alegria, Aimé (21 januari 2005) TODOS SANTOS Todos Santos. De moeite van het bezoeken waard, zei Lieve. Zaterdag is het er marktdag en zie je er de plaatselijke bevolking, campesinos, in hun traditionele kledij rondlopen. De verplaatsing met de bus moest je rekenen op ongeveer 6 uur en om niet in tijdnood te komen besloten we om op vrijdag –een dag ervoor- te vertrekken. Het einde van de wereld heeft vanaf nu een naam, Todos Santos, ofte Allerheiligen. Dit oord was onze bestemming. De chauffeur van de chickenbus die ons tot Huehuetenango bracht, waar we moesten overstappen, hield er zoals de meeste van zijn collega’s de nodige pit in. Het volgende busje, ditmaal naar Chiantla, beschikte echter over minder ruime baan, met als gevolg dat we de aansluiting met het busje naar het eind van de wereld misten. Todos Santos zou niet meer voor vandaag zijn… Bij navraag in een plaatselijke tienda (winkeltje) bleek Chiantla niet te beschikken over enige accomodatie om gestrande reizigers op te vangen. Met de handen in het haar zitten is reeds enkele tientallen jaren niet meer voor mij weggelegd en het enige dat er mij restte was hoopvol de ogen naar boven richten en af te wachten of er van die kant enige respons kwam. Blijkbaar ziet men het aldaar toch nog met mij zitten, want terwijl we enigzins aangeslagen de straat afslenterden, stopte er een vrachtwagen en uit het neergelaten raampje kwam de vraag of we tilden meerijden naar…Todos Santos. In de kabine zaten, naast de bestuurder, twee Maya vrouwen, wat meteen duidelijk maakte dat de ons toegewezen plaatsen zich in de laadbak bevonden. Het was dat, of terug naar Huehuetenango. We kozen voor het eerste. Het had heel comfortabel kunnen zijn mocht de laadbak hebben volgelegen met matrassen, bestemd voor de plaatselijke bevolking van Todod Santos, maar helaas bestond de lading uit zakken cement en betonnen paaltjes. Voor de volgende drie uur zou dit onze zitplaats worden. Tenminste… In het midden van de laadbak zag ik tussen de betonnen paaltjes een houten blok liguen, dat me qua zitcomfort een stuk beter leek. Toen deed het onheil zich voor…terwijl ik voorover reikte om aan mijn begeerde zitplaats te raken, moest de vrachtwagen bruusk remmen zodat ik naar voren tuimelde en vrij onzacht tussen de betonnen paaltjes terecht kwam. Mocht dit het einde van het onheil zijn geweest, zou ik niet de moeite hebben gedaan dit alles neer te schrijven, maar nadat ik terug was rechtgeklauterd, zette de vrachtwagen zich terug in beweging, even bruusk en tuimelde ik achterover. Met mijn onderrug kwam ik terecht op de ijzeren rand van de laadbak. Even was het voortijdig donker en werd ik begroet door twinkelende sterren… Drie uur duurde de rit en het eerste uur werden we getrakteerd op een Henning mooi berglandschap, ingekleurd door een stralende zon. Rechtopstaand in de laadbak (zitten kon nog niet), zag ik hoe de vrachtwagen langs ravijnen en haarspeldbochten langzaam omhoog kroop. Beneden speelgoeddorpjes, boven schaars begroeide rotswanden. Narmate de vrachtwagen steeg, daalde echter de temperatuur en moesten we ons heil zoeken achter een stuk zeildoek dat ons tegen de koude wind beschermde. Op de hoogvlakte (3.500 m) was de weg vlak en gind de snelheid de hoogte in. De wind suisde om onze oren. De afslag naar Todos Santos. Terug dalen en tegelijkertijd het einde van de asfaltbaan. Op de ruim 20 km. hobbelweg die ons nog scheidden van onze bestemming, werden we door elkaar, op- en neer en van links naar rechts geschud. Onderweg pikten we nog enkele arbeiders op die huiswaarts keerden en volop genoten van het gratis schouwspel dat deze twee gringo’s hen aanboden. Het was donker toen we aankwamen en de gevoelens nogal gemengd toen we 20 Quetzales (2,5 €) moesten betalen voor deze dolle rite naar het einde van de wereld. De twee hotels die werden aanbevolen in de reisgids zaten vol. Het was koud en we hadden honger. In het hospedaje El Viajero was er gelukkig nog een gastenkamer vrij. De kamer was vrij Spartaans en deed me ongewild denken aan de cel waar de ter dood veroordeelden wachten alvorens de andere dag te worden terecht gesteld. Maar… bedden waren er genoeg -3 dubbele bedden voor 2 personen- dekens zat en, we waren moe. De volgende morgen, pannekoeken moet honing en dan gaan kijken of Lieve Denaux gelijk had. Na de geleden ontberingen tijdens de rit van de dag tevoren, zou het de moeite moeten zijn. Het was haar geraden! In de straat kwamen we de eersten al tegen. Ditmaal waren het niet de vrouwen die in hun traditionele kledij opzien baarden, maar wel de mannen en de jongens. Lange broek, rood-wit gestreept, wit hemd met geborduurde rode kraag en strohoed met een blauw lint erom heen. Over hun schouder een door henzelf gehaakte tas. En inderdaad was het marktplein en dorpsplein volgelopen met mannen en jongeren in deze unieke klederdracht. Blijkbaar is deze marktdag voor hen het moment om vanuit de bergen samen te komen en bij te praten. Waarover, geen idee want Spaans spreken ze niet, alle communicatie gebeurt in het eigen dialect. En de vrouwen…ja, die vindt je terug in hun marktkraampjes of sjouwen met boodschappen op hun hoofd. Kart na de middag keerden we terug, ditmaal met de bus. Temidden van gestreepte broeken, witte hemden en strohoeden. Voor hen echter waren wij de bezienswaardigheid… Alegria, Aimé (22 januari 2005) PLAATS VAN WIEROOK EN KAARSEN “Plaats van wierook en kaarsen” Bijna hadden we deze plaats gemist… Ook nu zei Lieve “de moeite waard” en we geloofden haar. Dus terug richting Lago Atitlan. Neen, niet voor het meer, wel naar Chichicastenango, wat betekent “plaats van de chichicaste”. Tenango betekent “plaats” en de chichicaste is een netel, vandaar. Of de naam goed gekozen is…? Bij Lieve waren we ondertussen verhuisd van de kille benedenkamer, naar (dachten we toch) de meest zonnige kamer van Quetzaltenango. Juist… ”plaats van de quetzalvogel”. Kou hebben we niet meer geleden. Integendeel, wat hebben we genoten van de zon die langs alle kanten de kamer binnenstraalde. Zelfs de nachten waren warm. Salcaja, San Andres, Cantel en Zunil, de indianendorpen rond Xela werden eerst nog met een bezoekje vereerd. Fuentes Georginas, de warmwaterbronnen, verborgen in het hoge wolkenwoud, was onze laatste bestemming rond Xela. We waren er zelfs helemaal alleen, een waar geschenk! Na de “hotsprings” of “agua calientes” (zoals men die natuurlijke warmwaterbronnen hier noemt) van Gracias, verlegde ik weer mijn grenzen. Deze keer stond het water tot aan mijn kin, maar ik was toch moedig genoeg om mij over te geven aan het water en te zwemmen. Mijn vriend Peter zou versteld staan. Zowel van mijn zwemprestatie als van de aguas! Het toetje was een prachtige wandeling tussen groentenakkers vol bonen, bloemkolen, wortelen, rode bieten en radijzen, groot en roodblinkend als een biljartbal, die hapklaar voor ons langs de weg lagen. Alweer was het zover… afscheid nemen van een boeiende vrouw, Lieve Denaux, met een boeiend levensverhaal. Dochter van Amanda Gerard, een vrouw wiens leven al even boeiend was. Na 14 kinderen te hebben grootgebracht, stapte ze op haar 47ste een yoga centrum binnen te Gent en een paar jaar later was ze de grondlegster van de yoga in Brugge. De Denaux, een boeiende en avontuurlijke familie. Bedankt Lieve, dat je je verhaal met ons wilde delen en dat we een stukje van ons leven samen beleefden… Chichi… Alle “tenango” steden hebben hun afkorting. Vooral Aime had nogal wat gemengde gevoelens rond deze toeristenplaats. “Voor mij hoeft het niet” zei hij. Amper aangekomen voelden we een vreemde mysterieuze sfeer. In de stad, omringd door diepe ravijnen, die de rit er naartoe, alleen maar spannender maakte, wonen ongeveer 1000 Ladinos (Spanjaarden met Indiaans bloed) bijna allemaal handelaars. In de Bergen rond de stad wonen 20.000 Quiche Indianen. Het was hier dat in de 18de eeuw, de Popol Vuh, het heilige boek van de Quiche Maya´s, ondekt werd door priester Fransisco Ximenez. De Popol Vuh is de Maya bijbel, die 3 scheppingsverhalen vertelt. Kan het nog mysterieuzer zijn? Het boek werd ontdekt in de Santo Tomas kerk, gebouwd op Maya ruines, in 1540, waar nog iedere dag rituelen uitgevoerd worden. De grootste zijn op donderdag en zondag, de marktdagen. Vele Indianen komen dan naar de stad voor de mis en verkopen hun traditionele spullen aan de vele toeristen, die op die dagen in volgepropte bussen naar de stad afzakken. Vreemd genoeg konden de Spanjaarden hier nooit de inheemse godsdienst uitroeien. Zelfs nu nog worden de Quiches ongemoeid gelaten wanneer ze tijdens de katholieke mis, hun rituelen uitvoeren. Zowel in de kerk, als op de trappen voor de kerk worden er kaarsen en wierook gebrand en spreken ze hun Goden toe in de Quiche taal. We kwamen aan op zaterdag en de ganse stad werd in gereedheid gebracht voor de markt van Guatemala. Toen we zondagmorgen het hotel uitstapten, was het een ware metamorfose. In iedere straat waren kleurrijke kraampjes verschenen, die de stad een total ander beeld gaf. Op 1 nacht tijd werd Chichi omgetoverd in een veelkleurig labyrint. De trappen van de kerk waren bedolven onder een tapijt van bloemen en daartussen werden door sjamanen, die helemaal in het zwart gekleed waren en een felrode sjaal rond het hoofd geknoopt, allerhande mysterieuze rituelen uitgevoerd. Ik deed een poging om de mis bij te wonen, maar na een kwartier was de kerk, die helemaal onder zwart roet zat en een vreemde sfeer uitstraalde, zo beneveld door de wierook, dat ik nog nauwelijks kon ademen. Er waren ook buiten de stad verschillende rituelen en we bezochten, de voor de Mayas, heilige plaats, Pascual Nabaj, gelegen op een heuveltop, op wandelafstand van de stad. Voor mij was het een hele klim en al puffend bereikte ik de top. Op de grote zwartgeblakerde offerplaats, stonden drie stenen kruisen en een rechtopstaande steen. Gedroogd bloed en veren wezen erop dat hier ook dieren geofferd werden. Een ritueel was volop bezig. Rond een vuur dat brandde hing een sterke geur van wierook. Op dat vuur werd af en toe een geut water en sterke drank gegoten, terwijl een sjamaan luid in een onverstaanbare taal, zijn gebeden de hemel instuurde. Vanop afstand zagen we ook rookpluimen uit het kerkhof stijgen en ook daar gingen we een kijkje nemen. Kerkhoven in Centraal Amerika lijken op een speelgoeddorp. De familiegraven zijn, zoals vele huizen trouwens, geschilderd in kitcherig roze, oranje, groen, blauw of paars en om de graven heen, worden dan ook nog eens plastiek linten gedrapeerd. Tussen en op de graven hadden ook hier dezelfde ceremonieën plaats en op of rond de graven zaten ganse families op een ontspannen manier hun doden te eren. We waren onder de indruk van dit kaarsen en wierook gebeuren... In de late namiddag, toen de bussen vol toeristen terug vertrokken waren, werd alles terug ingepakt en de stalletjes afgebroken. Het moment om koopjes te doen! Nadien was het een aangename drukte onder de marktkramers, die met spijs en drank, de Goden bedankten voor de al of niet goede verkoop. Twee achtergebleven gringo´s genoten mee met een warme bananendrank... Que le vaya bien! Linda NAAR MEXICO 31 januari 2005, een reisdag. Terwijl Chicha bekomt van de zondagdrukte, zitten wij op de minibus die ons naar Los Encuentros brengt, een 20-tal km. verder. los Encuentros, een plaats die zeker in de vergetelheid zou raken, mocht ze niet een belangrijke halteplaats zijn op de Pan American Highway, die o.a. Guatemala City met Mexico verbindt. Een groot deel van de afstand reizen we met een échte bus, met échte zetels en een échte chauffeur. Op een comfortabele manier raken we dan ook tot in Huehue waar we moeten overstappen op een…chickenbus. Twee en een half uur hotsen en denderen tot we de grens bereiken. La Mesilla, een grensstadje waarvan men niets ziet omwille van de winkels die ervoor staan. Tot aan het douanekantoor, winkels, eethuizen en stinkend verkeer. Even een snelle hap in een comedor en wegwezen. Een donkere, dikke en zwaarbesnorde Mexicaanse douanier stempelt vol overgave het nodige in onze reispassen en voor de eerste maal moeten we niks betalen om een land binnen te mogen. Later zal blijken dat in Mexico niet alles zo goedkoop is. We hebben geluk, want wanneer we het douanekantoor buitenkomen wacht de laatste bus naat Comitan, het stadje waar we zullen overnachten. We rijden Mexico binnen en bijna onmiddellijk verandert er wat. Na het veel armere Guatemala achter te hebben gelaten, werkt de luxe die we al een hele tijd niet meer gewoon zijn, heel confronterend. De auto’s, infrastructuur, netheid van wegen en dorpen – zwerfvuil vindt je hier omzeggens niet meer – alles is hier zo total anders. Het vee in de weiden ziet er ook veel gezonder en beter doorvoedt uit. En wij, wij rijden in een grote, vrij nieuwe Amerikaanse minibus, met airco! Onze rugzakken brengen we onder in de Posada Los Angeles, waar we later, samen met hen de nacht zullen doorbrengen. Voor het zover is echter, maken we nog een wandeling in de stad en wanneer we op de Parque Central de poten strekken kunnen we onze ogen bijna niet geloven. De hele stad rijdt hier vol met VW-kevers. Politie, taxi’s, telecombedrijven en uiteraard ook privé chauffeurs, bollen hier rond met een kever. Honderden van de wagentjes trekken hier voorbij. Van sommigen werd zelfs de achterkant omgebouwd zodanig dat ze kunnen dienst doen als pick-up. We wanen ons in de sixties! Later tijdens de reis zullen we nog meer VW’s te zien krijgen, het zijn dan wel de VW-minibusjes die in veel Mexicaanse steden dienst doen als openbaar vervoer. We eten aan een kraampje gekookte mais met warme kaassaus en mayonnaise en in een café een heerlijke consome de pollo (kippensoep) met warme torilla’s. morgenvroeg komen we terug want als ontbijt staan er pannekoeken met esdoornstroop op de kaart! 2 februari 2005, 59 jaar worden in Mexico de eerste keer in mijn leven en de Mexicanen hier doen alsof ze van niets weten. Ik ben stil vandaag zonder dat er echter iets speciaals aanleiding toe geeft. Laat verjaren dan toch zijn sporen na...? San Juan Chamula. Met de VW-lijnbus rijden we een 10-tal km.rijden voorbij San Cristobal naar één van de meest onvriendelijke dorpen ter wereld. Voor de uitgestrekte Plaza staat het bontgeschilderde kerkje van dit norse gat. Even bontgekleurde sjamanen en vaandeldragers lopen rond de kerk, zingend en biddend. Twee deelnemers doen niets anders dan knalbommen en vuurwerk in de lucht schieten. Zou men ook hier dan toch weten dat het vandaag mijn verjaardag is? Wanneer we de kerk willen bezoeken worden we er attent op gemaakt dat er eerst boletos moeten worden aangekocht bij de plaatselijke dienst voor toerisme. Daar heeft men inderdaad de boletos, maar geen wisselgeld. We houden het dan maar voor bekeken en na nog een keertje de Plaza te hebben rondgewandeld nemen we de eerstvolgende bus terug naar de stad. Verjaren is ook ijsjes eten, koffie gaan drinken, e-mails beantwoorden en ‘s avonds lekker gaan eten in La Esterella, aanbevolen in onze Footprints. We kunnen dit alleen maar beamen en zeggen dat deze tent meer publiek verdient dan twee eenzame gringo’s. De koude avond zal hier wel zijn aandeel in hebben gehad... Bedankt voor alle verjaardagswensen! Alegria, Aimé
Content 5GROOT NIEUWS EN ANDERE DINGEN Schrijven aan een reisverslag met de voeten in de Caraïbische zee. Temperaturen waarbij in België een hittegolf wordt afgekondigd en de astma- en hartpatiënten moeten binnenblijven. Omoa Beach – Honduras. Schrijven tussen bruine lijven en weelderig uitpuilende bikini’s. De eerste krokussen aan het Brugse Minnewater zie ik volgend jaar wel… Ik maak gebruik van dit zelfgekozen oponthoud om wat achterstel in te halen bij het schrijven. Tijd maken om de vluchtige krabbels in mijn dagboek vorm te geven en ze weer tot leven te wekken. …het minibusje dat ons ophaalt bij de nachthemdindianen, is ditmaal niet zo afgeladen vol. Alle inzittenden hebben ruim plaats. We worden naar Flores (Guatemala) gebracht, althans toch in de goede richting, want eenmaal aan de grens van Mexico en Guatemala kan het busje niet verder. De grens wordt hier immers gevormd door dezelfde krokodillenrivier die we gisteren ook afvaarden. Er moet dus worden overgestapt in een boot die ons na een uurtje stroomopwaarts varen bij de grenspost afzet. Maar, we zitten nog in de minibus…en op de bank voor ons zit een bos weelderig haar met blonde lokken. De haardos en de lokken draaien zich een ietsje later in onze richting en vraagt de vraag die ik al honderden keren heb beantwoord where are you from? Het gezicht onder de haardos brengt bij mij een reactie van herkenning teweeg…Elsje. Toen nog, nu heeft ze zichzelf omgedoopt tot Ocean. Tientallen jaren is het geleden dat ik Elsje nog heb gezien. Toen ik kind was, was zij mijn achterbuurmeisje, waarmee ik echter nooit heb gespeeld. Van haar ouders mocht ze nooit op straat spelen of andere kinderen bij haar thuis vragen. Elsje was op de balletschool en telkens wanneer het ook maar een beetje goed weer was, stond ze op het terras op haar tippen te dansen of pirouettes te draaien. Zo kende ik Elsje. Nu zit Ocean tegenover me en vertelt over haar passie, dolfijnen. Ze gaat ze opzoeken in volle zee, laat zich door hen omringen en zwemt samen met ze. Enkele keren per jaar organiseert ze reizen naar gebieden waar dolfijnen zitten en nu is ze op zoek naar nieuwe bestemmingen. Elsje, die Ocean werd en nu wèl buiten mag spelen. Onze Maya route loopt ten einde. Tikal is de laatste site die we bezoeken. Take the first bus in the morning, so that you can see the sunrise above the jungle, zei de man van het reisbureau. Om vijf uur staan we op straat voor de deur van het hotel. Ook om half zes staan we op straat voor de deur van ons hotel en het begint al stilletjes aan te dagen. De geur van hier is iets niet juist, drijft mijn neusgaten binnen. Tikal is een uur rijden vanuit Flores en om ietsje na zes komt de zon op. Het reisbureau is enkele straten verder en is ook al open. Natuurlijk is men ons niet vergeten op te halen, maar wat er dan wel precies gebeurd is weet de man achter de balie ons ook niet te vertellen. Hij zou voor een oplossing zorgen. Het busje dat de gidsen naar Tikal voert neemt ons mee in een race tegen de zon. De hemel wordt alsmaar lichter. De bus die ons niet heeft opgehaald, steken we halverwege de rit voorbij. Hoewel de kinderlijke impuls heel sterk is, steek ik in het voorbijrijden mijn tong nièt uit naar de nalatige chauffeur. Helaas, de zon komt eerst aan in Tikal en wij moeten ons tevreden stellen met een zonsopgang van achter de plakkerige voorruit van de minibus. Moesten we daarvoor om half vijf het bed uit? Daar de site van Tikal zo omvangrijk en uitgestrekt is, nemen we een gids. Vijf uur lang neemt hij ons mee door de overweldigende natuur en de indrukwekkende paleizen, tempels en offerplaatsen. Buiten Maya geschiedenis en archeologische bijzonderheden, weet hij ook heel wat af van de geneeskrachtige planten die in de jungle te vinden zijn. Planten die het bloeden stelpen, slangengif neutraliseren, koorts bestrijden en het libido opwekken. Deze laatste mochten niet geplukt worden… Voor de ornithologen is het hier een waar paradijs. Van kolibri tot arend maakt hier zijn nest en gaat op zoek naar voedsel. Vlinders in alle maten en kleuren flirten met de al even kleurrijke bloemen. Hagedissen, gekko’s en leguanen ritsen voor je voeten weg of zitten als versteend te wachten tot er een argeloze prooi in hun nabijheid komt. Ook wij gaan op zoek naar wat eetbaars en op weg naar de uitgang van het park roept hoog in de bomen een brulaap ons wat na. Ik zwijg, hier kan ik niet tegen op… Al enkele keren staat er tussen mijn e-mail berichten een boodschap van mijn zoon, met de vraag om hem een keer op te bellen. Het mocht niet zijn. Telkens waren we onderweg of was er geen toestel met internationale verbinding ter beschikking. In Flores lukt het wel. Met een droge stem zegt hij dat ze niet meer met z’n tweeën aan de luchthaven zullen staan wanneer we in september terugkomen. Dit bericht heeft echt een dubbele bodem en een moment ben ik sprakeloos. Is het uit met Sigi? Nee toch…Enkele tellen later vertelt hij fier dat ze met z’n drieën zullen zijn. En met deze laat ik de hele wereld weten dat ik GROOTvader wordt!!!!!!!!! Alegria Aimé ECO TOURS EN NACHTHEMDINDIANEN De mayaroute dewelke we voor onszelf hebben uitgestippeld, leidt ons verder door Mexico, meer bepaald door het groene departement Chiapas. Een woelig departement met heel wat verleden. Het is immers hier dat indianenleider Zapata zijn vrijheidstrijd voerde tegen de Mexicaanse overheid. Zapata is intussen niet meer, maar het is nog niet zolang geleden dat het Mexicaanse leger diende tussenbeide te komen teneinde opstanden de kop in te drukken. Er vloeide bloed en er vielen doden…Het verleden laat zijn sporen na, want hartelijk zijn ze niet, de Chiapas, ze zijn nors en weinig mededeelzaam. Als reiziger wordt je getolereerd, niet verwelkomd, al sluit ik niet uit dat de mentaliteit van sommige reizigers hier ook wel deel aan zal hebben. Palenque, een stad die leeft van Maya verleden. Toeristen van over de hele wereld strijken hier neer en willen de paleizen, tempels en offerplaatsen bekijken, betasten en beklimmen. Ze willen souvenirs kopen en begeleid worden. Ze willen het gevoel hebben op expeditie te zijn en ronddwalen in een veilige en goed gestructureerde jungle. En inderdaad, de toeristenjungle is bijzonder goed gestructureerd! In de hoofdstraat van Palenque vindt je tientallen touroperators die elkaar beconcurreren met flitsende aanbiedingen en scherpe prijzen. Foto’s van het paradijs dat je tegemoet gaat worden tentoongesteld aan de wanden en in plakboeken. Jungle en jungle-lodge, zijn samen met eco-tours woorden die te pas en vooral te onpas worden gebruikt. Dat de realiteit soms wel in ruime mate wordt aangepast, lees je verder in dit verhaal… We zouden om 6 u. ‘s ochtends worden opgehaald aan het hotel. Onze eerste georganiseerde tour naar Bonampak en Yakchilan, twee Maya sites op de grens van Mexico en Guatemala. Noodgedwongen moeten we voor deze optie kiezen, want op eigen houtje tot daar geraken is quasi onmogelijk. Het is nog donker wanneer we samen met enkele andere vroeege opstaanders op de beloofde luxe minibus wachten. Stilaan groeit de groep wachtenden aan en wel in die mate dat ik me de bedenking maak hoe alles –ja, de bagage moet ook mee- en iedereen luxueus gaat getransporteerd worden. Om half zeven blijkt iedereen aanwezig te zijn. De minibus is intussen aangekomen en wanneer iedereen is ingestapt zit deze eivol. Negentien onbekenden zitten noodgedwongen met elkaar opgescheept voor een rit van bijna 150 km. De bank boven het achterwiel heeft zijn beste tijd gehad en de veren ervan zijn doorgezakt. Later zal blijken dat bij elke oneffenheid in de weg (en er zijn er wat) mijn zitvlak onzacht zal worden geconfronteerd met het metalen geraamte van de bank. Bonampak en Yakchilan zijn enig mooie sites en vooral in de site van Yakchilan is men er in geslaagd om het evenwicht in stand te houden tussen de rijkdom van de natuur en de archeologische bezienswaardigheden. Op een gecontroleerde manier laat men de natuur zijn gang gaan zodat er een hoop aan wildlife –apen, reptielen, miereneters, ocelots, vele soorten vogels- kan gespot worden. De site van Yakchilan is onbereikbaar via de weg. Een boot, waar er wel genoeg plaats op is, brengt ons over een verraderlijke rivier vol draaikolken en stroomversnellingen, tot bij de site. Later, op de terugweg, krokodillen…Onbeweeglijk blijven ze liggen op de oever. De schipper kan met zijn boot naderen tot op enkele tientallen meter afstand. Plots schiet dan die logge gepansterde massa in beweging en verdwijnt in het water. Even een Indiana Jones-feeling. Het avondmaal en de overnachting zou voor ons, zo beloofde de brochure en de bijbehorende foto’s, een onvergetelijke ervaring worden. Wanneer we het indianendorp binnen rijden staat er bij de ingang op een houten paneel vermeld dat dit dorp zich vooral richt op toerisme met lage impact. Volgens mij wil dit zeggen dat er naar wordt gestreefd om zo weinig mogelijk negatieve invloed uit te oefenen op natuur en milieu. Na ruimschoots geconfronteerd te zijn geweest met het afvalprobleem in de landen die we reeds bezochten, klonk ons dit als muziek in de oren. Uit een in hout opgetrokken hut stapt een indiaan naar buiten. Blijkbaar heeft hij de minibus horen stoppen en wordt hij geacht ons te verwelkomen. Hij draagt een wit kleed tot op de knie, daar onder bruine benen en blote voeten. Zijn lang, pikzwart haar heeft krulletjes. Hij lijkt een beetje op een verpleger, maar dan zonder broek. Wanneer we een korte tijd later in het dorpje rondwandelen zien we dat alle mannen en jongens in deze nachthemd outfit rondlopen. Onze reisgids (jawel, nog steeds dezelfde) vertelt ons dat deze manier van kleden eigen is voor de Lancadon indianen, dus helemaal geen kwestie van indianen die vroeg naar bed willen of graag verplegertje spelen. We mogen kiezen of we de typische indianenmaaltijd met of zonder kip willen, dus vegetarisch. De typische maaltijd bestaat uit rijst, bonenpuree (natuurlijk), twee (2) schijfjes tomaat en een kippenbil. Voor de vegetariërs ontbreekt de kippenbil…De typische indianendrank bestaat uit een 2,5 l. colafles die in het midden van de tafel wordt neergeplant. En om het aspect toerisme met lage impact helemaal in de verf te zetten… Het avondmaal en het ontbijt dat we krijgen voorgezet, wordt geserveerd in plastiek wegwerpborden, vergezeld van plastieken vorken en messen en plastieken drinkbekers. De koffie bij het ontbijt (thee is er niet)staat stijf van de suiker en wordt gedronken uit piepschuim bekers. Later ontdekken we dat na de maaltijden het hele zootje achter een hut wordt verbrand. De folder en de foto’s beloofden ons een Robinson Crusoehutje. Je NET wel, een dak met palmbladeren en muren uit bamboestammetjes. Op de achtergrond wuivende cocospalmen. We slapen echter in een schuur die is opgedeeld in hokjes met daarin een bed, matras en muskietennet. Het dak van palmbladeren werd vervangen door metalen golfplaten. De volgende morgen rijden we weg richting Tikal in Guatemala. Wanneer ik in de minibus achterom kijk, zie ik de trieste blik van de twee gekooide aapjes in een hok op het dorpsplein. Straks komt het volgende busje met toeristen… Alegria, Aimé (7 februari 2005) EL MUNDO MAYA 3-2-2005 Na bijna 4 maanden is het eindelijk zo ver… we treden de wereld van de Maya`s binnen. Voor we naar de ruines van Palenque gaan, die volgens onze reisgids de mooiste zijn van Mexico, bezoeken we eerst Tonina. Op amper 150 km van Palenque en door de meeste toeristen genegeerd. Tonina ligt volledig afgezonderd op 12 km van Ocosinga, een stad dat geschiedenis schreef in 1994 met een bloedige opstand van de Zapatisten. We zijn dan ook twee eenzame gringo`s, die plaats nemen in de “colectivo”, de locale minibus. We worden tussen de campesinos geduwd en wanneer we in Tonina aankomen, zijn we de enigen met bestemming “ruinas”. Alle andere passagiers zijn al uitgestapt. De ingang van de site is heel verzorgd, maar er is inderdaad geen enkele toerist te bespeuren. In het park is er enkel een groep spaanssprekende schoolkinderen. De site bestaat vooral uit 1 centrale bouwstructuur, dat het hoogste is van alle Mayastructuren. We hebben maar een uur om rond te lopen en de warmte en verschillende steile terrassen, schrikken ons een beetje af. We besluiten te klimmen tot het terras met een mooie cactustuin. Terwijl de jongeren het hoogste punt proberen te bereiken, snuiven wij de geur op van cactussen, die hoog boven ons hoofd uitsteken, waar mooie, grote, rode bloemen aan hangen. Eenmaal boven roepen de schoolkinderen triomfantelijk hun leraren toe, die het klimmen helemaal niet zagen zitten en veilig beneden bleven. De tieners zijn ook heel snel weer beneden en verdwijnen. Een vredige stilte daalt neer over het park. We horen enkel nog de geluiden van de bomen en de dieren. Het is een unieke belevenis helemaal alleen aanwezig te zijn in een Maya site… Op de terugweg genieten we nog verder van het fascinerend mooie groene landschap, blij deze site niet genegeerd te hebben. Na de middag vertrekken we in een luxe bus naar Palenque. We nemen onze intrek in El Panchan, een waar toeristendorp, gelegen in een stuk jungle, op 3 km van de site. We hebben geluk, bij Ed en Margaritas, is nog 1 “habitation” vrij. Het wordt tot nu toe, een van onze mooiste verblijfplaatsen. Afgezonderd van de rest van het dorp, krijgen we naar Mexicaanse normen, budgetair vriendelijke luxe aangeboden. We boeken 3 nachten. De eerste dag verkennen we de stad Palenque en dag 2 is volledig gewijd aan de site. We zijn heel benieuwd! We stappen te voet de 3 km er naar toe en eenmaal aangekomen weten we waarom men deze Maya stad zo mooi vindt. Heel veel van de gebouwen werd gereconstrueerd en tussen de paleizen en de temples, werden veilige, bewandelbare paden aangelegd, die echter de ongereptheid van de jungle niet te niet doen. De meeste en grootste tempels dateren van 600 tot 900 na Christus, de bloeiperiode van de Maya`s. In een van de tempels werd in 1952, de graftombe ontdekt van Lord Pacal, die zou geboren zijn in 603 en gestorven in 684. Hij was een van de langst regerende Koningen. De grafkamer was immens groot en vele kostbaarheden werden met hem begraven. Op de muren vond men 620 hierogliefen, die zijn voorouders beschreven en astronomische gebeurtenissen met spectaculaire voorspellingen voor de nabije 200 jaar. De laatste hierogliefen dateren van 909, de eeuw waarin ook de Maya cultuur verdween. De laatste Koning zou geofferd zijn door de heersers van Tonina. Een ander pikant detail is dat de gevonden beenderen van Lord Pacal, de leeftijd hadden van een 23 jarige. Op dit moment speculeert men nog steeds over wat het einde van deze hoge beschaving teweegbracht. Men denkt aan uitdroging van het land door ontbossing, ziektes, oorlogen met andere stammen of opstanden van de boeren tegenover de hogere klasse. Maar net zoals de mysteries in Egypte nooit helemaal verklaard konden worden, moeten ook de Mayanisten toegeven dat de geschiedenis een deel van haar geheimen achter houdt. Ook deze volkeren verwezenlijkten dingen wat we de dag van vandaag nog niet zouden kunnen. Andere bronnen beweren dan weer dat in de komende jaren veel nieuwe informatie, zowel over de Maya`s als over de Egyptenaren, zal vrijgegeven worden. Dit zou rond 2012 zijn, het laatste jaar van de Maya kalender. Sommigen kondigen het einde van de wereld aan, anderen spreken over een nieuw bewustzijn voor de mensheid… ik sluit me aan bij de tweede groep… Terwijl we rondlopen langs en door tempels en paleizen, stellen we ons niet te veel vragen en genieten van deze prachtige bouwsels. Palenque is inderdaad heel mooi! Langs de terugweg passeren we nog een klein watervalletje, goed verborgen in de jungle en vinden er zelfs een schat… neen, jammer genoeg geen goud… Schelpjes, die door de jaren helemaal versteend zijn. We nemen er een paar mee als souvenir… wordt vervolgt… Linda EL MUNDO MAYA 2 Voor de volgende sites, Bonampak en Yaxchilan, zijn we genoodzaakt een geleide excursie te boeken, gezien de onbereikbaarheid doorheen de jungle. Wanneer de minibus ’s morgens om 6u30 vertrekt, zitten we plots tussen allemaal gringo’s. Dit zijn we niet gewend, maar we passen ons aan. In de bus zit ook een Nederlands stel, Sjaak en Haydee, de laatste van Surinaamse origine, en die, om het op z’n Hollands te zeggen, “reuze” meevallen. Verder zijn er Fransen, Italianen en Spanjaarden. We stoppen onderweg voor een heerlijk ontbijt (in de prijs inbegrepen) en na een paar uur bereiken we Bonampak. Het is eerder klein en lijkt een beetje op Tonina, met ook hier 1 grote bouwstructuur. Zowel Aimé als ik, voelen hier een zware en dreigende energie. Misschien hangt hier nog wel de sfeer van de wreedheden van deze Maya’s, die gedomineerd werden door hun nabije buren in Yaxchilan. Oorlogszuchtig als ze waren, gebruikten ook zij hun gevangenen als offers voor hun Goden. Overal in de Maya wereld werd geofferd. Meestal rukte men het hart van het nog levende slachtoffer uit…naar mijn gevoel een pijnlijke ervaring. Deze “krijgers” hadden echter nog andere ideeën. Ieder detail zien we netjes afgebeeld op goed bewaarde muurschilderingen. Er zijn 3 kamers waarin we al hun doen en laten kunnen volgen. Kamer 1 beeldt een processie uit van muzikanten en edelen, gekleed met ceremoniële gewaden en juwelen. Ze vieren de geboorte van de zoon van Koning Chaan-Muan. In de 2de kamer gaat het er minder leuk aan toe…de gevechten met andere stammen en het wegvoeren van de gevangenen, die om Chaan-Muan’s recht op de troon te eren, geofferd zullen worden. Maar eerst hadden ze nog andere plannen met deze ongelukkigen. Waar het hen vooral om te doen was, was hun bloed. Bloed, dat de Koning “nodig” had om zijn heerschappij in stand te houden. Onder het oog van de Koninklijke familie en de burgers van de stad, werden vingernagels uitgetrokken en daarna de handen afgehakt. Terwijl men de handen omhoog stak, zodat het bloed “vloeide”, werd het hoofd afgehakt. Van een fataal lot gesproken… De 3de kamer toont de “viering” van deze ceremonieën met dans en muziek. Sommige dansers “eerden” hun Koning met een penispiercing. Het bloed bleef vloeien… Ik verlaat Bonampak met een akelig gevoel. Terwijl we verder reizen naar Yaxchilan, stel ik me de vraag, hoe de Maya’s, die zogezegd op een hoog spiritueel niveau stonden, zo wreed konden zijn… Om Yaxchilan te bereiken, moeten we een stuk de rivier Usumacinta afvaren. Op deze rivier zit echter een heel sterke stroming en overal zijn draaikolken. Wanneer ik het bootje instap en een zwemvest aangereikt krijg, speelt zich in mijn gedachten een gans rampenscenario af…een gekapseisde boot toeristen, verdrinkend in draaikolken of achterna gezeten door krokodillen! Terwijl we varen, speur ik de oevers af, maar er is gelukkig geen krokodil te zien en uiteindelijk kan ik me concentreren op de schoonheid van deze wilde natuur. In Yaxchilan zijn meer apen dan mensen, zegt men en nog maar net op de oever, horen we het geroep en gekrijs van de “brulapen”…ze hebben hun naam niet gestolen! Ze zitten hoog in de bomen en slingeren al brullend van de ene boom naar de andere. Ik ben al blij wanneer Aimé mij verzekerd dat ze in de bomen blijven. Mijn angst voor de rivier en het zware gevoel van Bonampak is hier snel vergeten. Ik krijg het gevoel dat ik middenin een Crocodile Dundee film ben terechtgekomen. Ruines, verstrengeld in wilde planten, bomen en lianen, liggen verdoken tussen zeeën van groen en kleurrijke bloemen. Zowel Bonampak als Yaxchilan zijn pas zestig jaar geleden ontdekt en het lijkt alsof alles nog onberoerd gebleven is. Gefascineerd beleven we dit schouwspel. We verliezen algauw onze medereizigers uit het oog en plots staan we weer helemaal alleen tussen stille, roerloze getuigen uit een ver verleden. We lopen langs kronkelende paden op zoek naar de ruines, de ene nog beter verborgen dan de andere. Het lijkt wel een spannende expeditie. Het gaat omhoog en omlaag en om drie bepaalde paleizen te zien, moeten we een heel stuk klimmen. Er lijkt geen einde aan te komen… Wanneer ik uitgeput wil terugkeren, kruisen Sjaak en Haydee ons pad. “Je bent er bijna”, zegt Haydee. “Hou nog even vol, het is de moeite waard!” roept ze enthousiast. Moeizaam bereik ik de top… drie gigantische gebouwen met hoge torens staan op een platform, blakend in de zon. Het is een prachtig spektakel in mijn denkbeeldige film! Hier staan nergens beschrijvingen van de gebouwen, maar ze lijken op eerder geziene astronomische torens van Palenque. Mijn neus voor astrologie krijgt hier een nieuwsgierige prikkel! Mijn film draait verder en ik keer met een tijdmachine in de tijd terug, toen astronomie en astrologie één wetenschap waren… We blijven hier een beetje in stilte achter… Om 3u terug aan de boot, hadden ze gezegd. We beseffen dat dit nipt zal worden, gezien we nog de ganse klauterpartij naar beneden moeten afleggen. Om vijf voor drie bereiken we de uitgang. Ik, alweer helemaal buiten adem, maar alles was de moeite waard! We zijn het er beiden over eens… Yaxchilan heeft ons hart gestolen! Ik gooi nog vlug mijn schoenen en kousen uit en ga via het water langs de oever naar het bootje, zalig! Terwijl we wegvaren en onze ervaringen delen, roept de schipper “mira! Un cocodrilo!” Dit was het enige dat nog ontbrak om de film af te maken! Wordt vervolgd…Linda EL MUNDO MAYA 3 De wereld van de Maya’s is uitgestrekt in Centraal Amerika. Vele Mayasteden zullen we niet gezien hebben, maar na Tonina, Palenque, Bonampak en Yaxchilan hebben we toch al een idee wat El Mundo Maya betekent. We stellen ons dan ook met de reeds geziene sites, tevreden, maar voor we terug richting Honduras gaan, is er nog Tikal in Guatemala. Voor de Guatemalanen, de meest besproken en bezochte site en daar zal onze Maya route eindigen. Tikal is gelegen in de laaglanden van Petén, die meer dan 300 archeologische vindplaatsen herbergen. De meeste zijn echter onbereikbaar, gezien dit gebied vooral bestaat uit tropisch regenwoud. Met de grensstreken van Mexico en Belize, vormt de Petén het in 1990 opgerichte Maya biosfeer reservaat. Het beslaat maar liefst 1,8 miljoen ha. In dit gebied ligt ook het Lago Petén Itza en het piepkleine eilandje er in Flores, is een prima startpunt om deze Mundo Maya te ontdekken. Ook wij kiezen voor Flores en natuurlijk ook voor het meer! Hotel Mirador, met ja, uitzicht op het meer, wordt onze volgende slaapplaats, na ons "avontuur" in het Lacandon dorp. Van de oorspronkelijke groep, vertrokken uit Palenque, zijn nog slechts twee Belgen en twee Hollanders, ja, Sjaak en Haydee, overgebleven. Zijn we dan toch even goed? "Goed voor een spelletje Tien Voor Taal " stelt Sjaak voor, maar haakt snel af, want de Belgen winnen toch altijd… Waar hij wel heel sterk in geïnteresseerd is, zijn, neen, geen belgenmoppen, maar hollandermoppen. Wij kunnen echter zijn lijstje niet aanvullen. Voor degenen die zich geroepen voelen…sudwilk@yahoo.com Wie ons kleine groepje komt versterken is Els of Ocean. Zowel Aimé als ik hebben "iets" met Ocean. Neen, ze is geen buurmeisje uit mijn jeugd, maar beiden delen we een passie… Egypte… ik de woestijn, zij het water. Desertwoman meets Dolphinwoman in te jungle Het zou een titel kunnen zijn voor een spannende roman. Beiden schrijven we… wie weet… Wanneer ze hoort dat ik, net zoals zij, reizen organiseer in Egypte, stelt ze voor om het samen te doen… wie weet… Maar eerst trekken we samen de jungle in. Tikal, de archeologische site, 120 km² groot, is gelegen in Parque Nacional Tikal, dat zo’n 575 km² beslaat, rijk aan tropische fauna en flora. Dit is gedeeltelijk te danken aan de afwezigheid van de mens. Het is dan ook onmogelijk om alles wat Tikal te bieden heeft, in 1 dag te zien, maar daar doen we het mee. Na zichzelf duizenden jaren verborgen te hebben voor de mens, wordt het in 1848 ontdekt, maar pas in 1956 wordt er met man en macht gewerkt om het domein toegankelijk te maken voor bezoekers. In 1960 is het zover… Tikal is er klaar voor. Ondertussen hebben miljoenen mensen deze historische plaats bezocht. Eigenlijk is het één grote stad, met groepjes tempels, paleizen en piramides uit verschillende tijdsperiodes. De piramide in El Mundo Perdido, wat Verloren Wereld, betekent, zou dateren van 300 voor Ch. Deze Verloren Wereld telt maar liefst 38 bouwwerken, die allerhande vormen en figuren hebben. Door de eeuwen heen bouwde men nieuwe stijlen op oude structuren. De tweede Star Wars film werd hier gedraaid. Het lijkt ook op iets dat niet van deze wereld is. In vele ruines, die ooit dienst deden als sterrenwacht, en de activiteiten van sterren en planeten volgden, hangen nu vleermuizen ongestoord te slapen. Tikal is vooral gekend voor het uitzicht over de jungle. Dit willen we uiteraard niet missen. We beklimmen drie tempels. De eerste is enkel bereikbaar via een steile houten trappencomplex. "Naar boven kijken" is hier de boodschap! De twee andere zijn langs de oorspronkelijke trappen bereikbaar. Sommige trappen zijn soms meer dan een halve meter hoog, maar zo smal dat je genoodzaakt bent je voeten schuin te zetten (en de mijne hebben dan nog maar maat 37). Alweer dezelfde boodschap "naar boven kijken!" Voor ik het schouwspel kan bekijken moet ik eerst bekomen van de schrik en op adem komen. Deze klimpartijen overtreffen alle vorige! Maar wat een zicht! Op de top van een piramide staan, die hoog uittorent boven het oerwoud. Deze plaats was enkel voorbehouden voor de Maya priesters, die beneden aanbeden werden door de bevolking. Ik maak me de bedenking dat die Maya priesters waarschijnlijk last hadden van hun ego… De vragen rond het hele Maya gebeuren blijven door mijn hoofd spoken terwijl we na vijf uur ronddwalen, voldaan en moe de site verlaten. Wanneer we terug in Flores zijn, heeft Ocean "iets fantastisch" gevonden… Een kamer bij een "echte" Arabier. Ze vertrekt echter nog diezelfde avond naar Antiqua. "Misschien is het iets voor jullie?" stelt ze voor. Het blijkt de perfecte plaats te zijn om even tot rust te komen voor we verder reizen. Diezelfde avond nemen we in het restaurant El Villa del Chef, van de Arabier Nasry, afscheid van Ocean, Sjaak en Haydee. De verhalen gaan over Belgen, Hollanders, Arabieren, Guatemalanen en Indianen en over hoe fantastisch het is om de wereld rond te reizen… Wij genieten nog twee dagen van Lago Petén Itza… Alegria! Linda SAN FELIPE EN ZIJN HONDEN Nasri en Wendy, de symphatieke eigenaars van de Villa del Chef in Flores, geven ons het telefoonnummer van Tim. Wanneer we aankomen in Rio Dulce moeten we hem opbellen. Tim is Amerikaan en één van de velen die aan de oevers van het Lago Izabal is neergestreken. Je zou voor minder deze plek uitkiezen. Dit enorm grote meer met een lengte van vijfenvijftig kilometer en een breedte van tweeëntwintig kilometer, staat via El Golfete in verbinding met de Caraïbische zee. Het wordt omzoomd door een uitgestrekte jungle en strandjes met paradijsallures. Verborgen tussen het riet en oevervegetatie staan de hutten van de plaatselijke bevolking. De poten in het water en een dak van palmbladeren op het hoofd. Aan één van de palen een kano of een uit boomstammen uitgehouwen boot met buitenboordmotor. Met dit transportmiddel worden de boodschappen gedaan, de kinderen naar school gebracht en op het meer gevist. Tim heeft aan de steiger in Rio Dulce een flink zeiljacht met enkele kajuiten liggen. Zouden we daar enkele dagen kunnen logeren? Onze hoop vervliegt snel, want wanneer Tim onze bagage ziet fronst hij zijn wenkbrauwen. Cabins are to small for two people and backpacks, ontneemt hij onze illusie. Enkele steigers verder heb je de Crow Bar. Op het terras een tiental Amerikanen achter hun afternoon beer. Achter de tap, Jeff, de eigenaar. Een bizar figuur. Hij doet me denken aan Catwezel. Lang, mager en spichtig steekt hij boven zijn toog uit en kijkt je aan met bijzonder doordringende ogen. Zijn grijze sprietbaard steekt naar alle kanten alsof hij juist door de bliksem is getroffen. Jeff praat met korte, krachtige zinnen en springt van het ene onderwerp op het andere, wat het soms moeilijk maakt om echt te vatten waarover hij het heeft. Zijn geliefkoosd gespreksonderwerp en kluif waarin hij zich graag vastbijt, gaat over het misbruik en het misleiden van de toeristen. Volgens hem een lokale sport van de plaatselijke bevolking die hier in grote getale en vrij fanatiek wordt beoefend. Hij waarschuwt ons voor zogezegde verkopers van jungletours en boottickets. Hun aanbod is zeer goedkoop, maar houdt ook niets in. Het busje dat je zou moeten komen ophalen voor de jungletour, daagt nooit op en de boottickets hebben geen enkele waarde. Begrijp wel dat deze laatste zinnen een uiterst verkorte en gekuiste versie weergeven van de originele tirade. Maar, we zijn gewaarschuwd! Buiten de Crow Bar heeft Jeff ook nog een hotelletje in het nabijgelegen San Felipe. Er is nog één kamer vrij in zijn Rancho Escondido en voor 6O Quetzales (6 euro) kunnen we er de nacht doorbrengen. De colectivo brengt ons bijna tot voor de deur. Een tot gastenkamer verbouwd tuinhuis wordt ons verblijf voor drie nachten. Slapen doen we boven elkaar (in een hoogslaper wel te verstaan) want voor een dubbel bed ontbreekt plaats. Het is een gezellige stek en de folder vertelt de waarheid, vanuit ons tuinhuis tot aan de boorden van het Lago Izabal, is het slecht 125 meter. De folder vertelt ook dat het hier very clean is, en dat is ook de waarheid. Pricila, een plaatselijke schone en tevens de veel jongere echtgenote van Jeff, zorgt er inderdaad voor dat alles hier onberispelijk blijft. Gladys heeft een spannend topje aan in tijgervelmotief. Een dun laagje dat een schat een inhoud bedekt. In haar eethuisje steekt ze voor ons een vegetarische maaltijd in elkaar. Pompoen, tomaten, geraspte kool, frijoles en rijst, een kleurrijke schotel waarin echter de kleur geel ontbreekt. Ik vraag er nog een eitje bij. Blijkbaar heeft ze in haar achtertuin een struisvogel zitten, want wanneer ze met de omelet komt aandraven beslaat deze drie kwart van mijn bord. Twee spelende en zingende meisjes lopen naast ons wanneer we in de donkerte naar Jeff’s place terugkeren. Het koppel nijdige honden, uit hun slaap opgeschrikt door het lawaai van de spelende meisjes, zie ik niet achter me aankomen. Wanneer ik hun geblaf hoor is het al te laat om nog te reageren. De beet ik mijn linkerkuit veroorzaakt een scherpe pijn. Hinkend loop ik naar het hotel en op de kamer zie ik dat er een flinke hap vlees ontbreekt. Het is een lelijke wonde zoals alleen hondenbeten die kunnen veroorzaken. Mijn broekspijp hangt aan de binnenzijde vol bloed, maar vertoont aan de buitenzijde geen enkel spoor van de beet. Onbegrijpelijk, maar wel mijn geluk want de tanden zijn niet met mijn vlees in aanraking gekomen en de besmetting blijft beperkt… Linda in het meer van Izabal, ik aan de kant. Daar hebben de honden van San Felipe voor gezorgd… Alegria (ditmaal zonder uitroepteken) Aimé SITTING ON THE DOCK OF THE BAY San Felipe en zijn honden laat ik achter mij en ik volg de gouden raad van Jeff, bootticketten koop ik aan de steiger zelf. Bootticketten naar Livingston, een bestemming die door de plaatselijke bevolking van Rio Dulce wordt afgeraden. Het is er vuil, het stinkt er en er wonen Garifunas. Garfunas, pikzwarte negers en uiteraard ook negerinnen. Een bevolkingsgroep die direct afstamt van de Afrikaanse slaven, destijds import van de Spanjaarden. In Centraal Amerika behoren ze tot de minderheidsgroepen en ze worden dan ook op een dusdanige manier bejegend. Garifunas zijn onbetrouwbaar en lui en Livingston kan je best vermijden. Dat was het advies waaraan Linda en ik onze voeten veegden. De ochtendboot van halftien biedt meer dan de anderen die na hem komen. De ochtendboot van halftien neemt zijn tijd om de passagiers te laten genieten van het vele moois dat op en langs La Golfete is te bekijken. Hij leidt ons langs een onbetreden eilandje in het midden van de rivier waar de bomen worden overwoekerd door de sprieterige nesten van de aalscholvers en de reigers. Bodem, onderbegroeing en rotsige oevers zijn witgekakt door de honderden bovenbewoners. In de rietkragen huist dan weer wat anders. Hier zijn het kleinere vogels, erg lijkend op de eiropese ijsvogels, die boven op een rietstengel hun prooi opzoeken en daarna als een pijl het water induiken oñ iets later met een visje in hun bek terug boven te komen. Boeiend! De ochtendboot vaart verder en La Golfete wordt breeder. Op sammige plaatsen zie je slechts in de verte de donkere lijn van de samengeklitte oevervegetatie. Links en rechts scheren op enkele tientallen centimeter boven het water, hele eskadrons aalscholvers voorbij. Het zijn er duizenden die we tijdens deze trip te zien krijgen. De boot vermindert vaart en zet koers naar een rotsige oever. Op het eerste gezicht is er niets noemenswaardigs te bespeuren, maar wanneer we tot op enkele meter van de kant zijn genaderd vraagt de schipper zijn opvarenden om de handen in het water te steken. Een flauwe grap met Piranhas? Neen, het water is warm en op sommige plekken stijgt damp op. Onder en net boven de waterlijn kleurt de oever malachietgroen. Warmwaterbronnen… Waar la Golfete terug smaller wordt, alvorens zich voor een laatste maal breed uitwaaierend in zee te storten, vormen zich terug enkele eilandjes die als het ware worden bijeengehouden door hele velden met waterhyacinten. Een drijvende tuin. Over de grote bladeren lopen roerdompen en waterhoentjes, zoekend naar wat eetbaars. Er is genoeg. Libellen in alle maten en kleuren zoemen over de bloemen om plots als bevroren te blijven zitten op een stengel. De bewoners van de drijvende tuin zijn gewend om bezoek te krijgen. Hoewel de boot vrij dicht nadert, doen ze gewoon verder met hun dagelijkse bezigheden. Witte reigers negeren ons en houden schoonmaak van hun veren of staan te niksen op één poot. We naderen de kust, de Caraibische zee. We zien ze nog niet maar er zijn voorboden, pelikanen. Eerst één enkele, daarna tientallen. Ze vliegen over de boot als een formatie bommenwerpers. Het is prachtig om zien op welk een rustige, aristocratische manier ze zich op hun vleugels voortbewegen. Enkel hun manier van landen is wat onbeholpen. Op een weinig sierlijke wijze steken ze hun brede bevliesde poten uit om daarna met hun hele lijf op het water naar te vallen. Eens echter dat maneuver achter de rug, herpakken ze hun waardigheid en zwemmen statig als een driemaster verder. De lucht ruikt zoals zeelucht moet ruiken. Zilt en met een vleugje aroma van verse vis. Voor ons, de zee. Links Livingston. We meren aan. Welcome in Africa roept een jonge Garifuna me toe. Casqa Rosada is een hotelletje met echte cabanas. Hutjes met strohoed. De eigenares noemt Sandra en is Belgisch. Helaas krijg ik haar tijdens het ganse verblijf niet te zien. Ze is heen waar ik vandaan kom, nl. naar Flores aan de Lago de Peten Itsa. Haar afwezigheid belet echter niet om ten volle van haar Casa te genieten. Vanuit mijn strohut heb ik zicht op een exotische tuin met op de achtergrond de monding van La Golfete . Livingston mag je niet laten voorbijgaan wanneer je rondtrekt in Guatemala. Het is een heel uitnodigend, warm stadje met vriendelijke behulpzame inwoners. Haar look is koloniaal. Houten huizen waarvan een aantal door de jaren scheefgezakt, met terras aan de straat. Luie stoelen en hangmatten vormen de belangrijkste meubilering. In de reisgids staat, it’s a funky town en dat kan ik alleen maar beamen. Backpackers en Marley adepten, zorgen samen met de reggae muziek die uit elke kroeg komtbuitengewaaid, voor de lokale kleur en sfeer. Reuzegarnalen, Baracuda en Tonijn, klaargemaakt in cocosmelk en geserveerd met pan de coco. Even een welkome afwisseling na weken pollo en frijoles (kip en bonen). Avond, de zon sluit de dag af met een bad in zee, en ik, ik kijk er naar. Sitting on the dock of the bay… Alegria! Aimé OMOA 17 februari 2005 De naam vond ik al Middeleeuws klinken… Twee straten groot met onverharde weg en een groot Spaans fort daterend uit de 17de eeuw bevestigden mijn voorgevoelens. Wanneer we net over de grens van Guatemala terug in Honduras worden afgezet, zegt onze chauffeur al lachend “welkom in Honduras, waar de tijd is blijven stilstaan.” Van de comfortabele minibus stappen we over in een chickenbus. De weg die ons naar Omoa moet brengen, blijkt bijna helemaal onverhard te zijn. Het lijkt me spannend, we rijden de “bananenrepubliek”, zoals Honduras ook wel genoemd wordt, binnen langs de smokkelroute. Het is drie uur afzien. Overal zijn diepe kuilen in de weg en het stof snijdt ons de adem af. Maar de sightseeing is fantastisch. Kilometers lange bananenplantages en af en toe vangen we een glimp op van de azuurblauwe zee. Prachtig! Ik heb er lang naar uitgekeken en nu aanschouw ik met eigen ogen de Caraibische zee… Rolis Place in Omoa. Ook hier bleef de tijd stilstaan. Het enige wat er nog onderhouden en verzorgd wordt is de tuin. Dankzij deze tuin beslissen we te blijven. Na het flamboyante Livingstone krijgen we hier letterlijk en figuurlijk een koude douche. Winkels zijn er nauwelijks te vinden en aan het strand zijn meer restaurants dan mensen. Er is een bank, maar daar krijgen we geen geld. Hier blijven we niet lang beslissen we. Een eerste duik in de zee doet onze mening veranderen. Het warme heldere water brengt een zalige rust over ons en het blijkt dankzij de kalmte van de zee, ook de perfecte plaats om mijn zwemtalent bij te schaven. Dit gaat echter niet zonder slag of stoot, maar na een paar dagen slaag ik er in, dankzij het geduld en de hulp van Aime, om te drijven op mijn rug, me te draaien en te zwemmen! In ondiep water wel te verstaan… Het wordt een dagelijks ritueel. De zee afgewisseld met de rust van de tuin. Ook tijdens de nacht slapen we in een zalige stilte. We maken er kennis met Andrea en Daniela, twee Duitse meisjes, net afgestudeerd. Wanneer Andrea ziet dat Aime armbandjes knoopt, ontstaat een nieuw ritueel. Ook zij blijkt wel wat knooptalent te hebben en in de kortste keer leren ze elkaars kunstjes. Mooi om te zien… Aime en Andrea in de tuin met hun knoopwerk… Daniela en ik kijken ernaar. Er zijn verschillende Duitsers bij Roli, die zelf Zwitser is en we zijn onder de indruk wanneer we een Toyota Landcruiser de tuin zien oprijden. Didi en Astrid, zelfs geen partners, blijkt achteraf. Gewoon als reiscompagnons, ondernemen ze het avontuur om van het meest zuidelijke punt van Zuid Amerika, Patagonie, te reizen naar Alaska. Een fikse onderneming ! De rituelen blijven aangroeien. Iedere namiddag zitten we bij de koffie en het knoopwerk, geboeid naar hun verhalen te luisteren. Het niet lang blijven bij Roli blijken plots tien dagen te zijn. Voor we vertrekken bezoeken we nog het fort van Omoa. Het is indrukwekkend groot en tot 1950 werd het gebruikt als gevangenis… Gebouwd door de Spanjaarden om de aanvallen van Britse zeerovers tegen te houden. Tientallen kanonnen en honderden kanonskogels zijn stille achterblijvers. De ganse kust van Honduras stond bekend als zeeroversgebied en ik denk aan de zeeroversverhalen van o.a. Henry Morgan, die ik als jong meisje verslond. Het fort brengt mijn verbeelding tot leven… Achter het fort ligt een oud kerkhof waar de graven nog vrij intact blijken. Het is echter niet toegankelijk voor toeristen. Toch slaag ik er in om een bewaker te overhalen en we mogen er in! Een veertienjarige jongen leidt ons via een ongebruikelijke weg er naar toe. Via een stuk afgebroken muur klauteren we naar boven op de omwalling. Over een afstand van ongeveer 300 meter lacht de diepte ons langs beide zijden toe. Via wat ooit een trap was, bereiken we de begraafplaats. Oude stenen graven met kruisen die scheef hangen brengen me terug in de tijd. Ik zie het zo voor me… de gevechten tussen Spanjaarden en zeerovers, de kisten met goud, zilver en juwelen, het feest van de overwinnende zeerovers nadien… misschien was ik er in een vorig leven wel bij… Terwijl ik gefasineerd langs de graven loop vraag ik aan de jongen waarom dit verboden gebied is. “Omdat het hier zeer gevaarlijk is” zegt hij. We kijken hem verwonderd aan en vragen waarom. “Dit is schorpioengebied” zegt hij en toont ons de vele putjes in de grond tussen het gras. Een leuke manier om mijn betovering te verbreken en voor ik hier zelf onder een kruis geraak, maken we er ons vlug uit de voeten. Omoa en de zeerovers neem ik mee, de schorpioenen laat ik waar ze zijn… Vaya Pwez! Linda
TERUGKEREN EN LOSLATEN 1-3-2005 Copan… We stappen van de bus af aan het El Cisne huis. De enige die er thuis is, is Lise. Het weerzien is warm. Het voelt raar dat we hier niet zullen verblijven. We zijn uitgenodigd in het huis van Rosa, een jonge vrouw, half Hondurees, half Duits. Ze baat in Copan een souvenirwinkel uit en via haar tienda, leerden we haar kennen. Ze was nogal weg van Aimé. Steeds vergeleek ze hem met haar Duitse vader, die ze op jonge leeftijd op een dramatische manier verloor. Hij stierf tengevolge van een werkongeval. Steeds schitteren haar ogen wanneer ze spreekt over mi papa. Haar mooie grote huis is gelegen op een heuvel en de kamer die we betrekken biedt ons een prachtig uitzicht op de bergen. De bovenverdieping is helemaal omringd met een terras en vandaar uit zien we Copan deze keer op een nieuwe manier. Het is goed in het huis van Rosa… We zien veel gekende gezichten en het voelt alsof we thuiskomen. Wat zal dat zijn als we echt naar huis gaan…? Op de parque central ga ik direct op zoek naar een andere Rosa. Een tien jarig meisje uit het Indianendorp La Pintada. Ze stal mijn hart de eerste dag dat ik haar zag. Wanneer ze me ziet vliegt ze direct rond mijn hals en vraagt hoe het was in Guatemala en Mexico. Ik probeer haar zoveel mogelijk te vertellen terwijl ik haar de schelpjes geef die ik meebracht uit Omoa. Ze heeft nog nooit de zee gezien, dus ook geen schelpjes! Ze vindt ze dan ook heel mooi en toont ze direct aan haar zus en moeder om ze daarna vlug in haar tasje weg te stoppen. Ze heeft goed nieuws., ze gaat eindelijk naar school. Niet naar de Mayatan school waar ze heel graag naar toe zou willen gaan. Dat is voor de kinderen van La pintada onbetaalbaar. Er is amper geld voor eten… Er is een klein schooltje in het dorp, dat gefinancierd wordt door het gemeentebestuur van Copan. We gaan samen wat schoolspullen kopen. Wanneer ik haar vraag wat ze wilt durft ze amper kiezen. Ze begrijpt niet waarom ze dit zomaar krijgt. Veel meer kan ik niet doen. De gedachte die meermaals bovendrijft is sterk….moest ik rijk zijn… Het is goed in het huis van Rosa, waar we de ganse dag alleen zijn en wanneer ze bij donker, samen met haar man Ramon en dochtertjes, Cleo en Joella thuiskomt, is er veel te vertellen. Zoveel als we kunnen natuurlijk in ons nog steeds gebrekkig Spaans. Cleo is zeven en gaat wèl naar de Mayatan school. Joella is bijna vier, maar voor haar is geen geld. Er wordt via de school naar een sponsor gezocht. Dit huis en deze kinderen brengen de sfeer van mijn dochter lindsay en kleinkinderen Amber en Robin, heel dichtbij. Er ligt echter een geschenk voor me klaar in Copan… Het lukt me voor de eerste keer in vijf maanden om te chatten met hen, inclusief webcam en koptelefoon! Ik vlieg bijna door het plafond van geluk! Ik hoor Robin luidkeels oma! oma! oma! roepen en zie Amber zwaaien met een tekening die ze mij wil opsturen. Ze wordt heel kwaad wanneer ze hoort dat dit niet kan… Voor ik het besef zit ik luidkeels mee te roepen en ik zie pas achteraf dat ik door iedereen in het internetcafé raar aangestaard wordt… Abuelita of omaatje is dan ook heel gelukkig wanneer ze het internet café buiten stapt ! De dag nadien wordt ik ziek en na drie dagen kan ik het bed niet meer uit. Een pijnlijk lichaam en een verwarde geest. Tussen mijn schouderbladen zit precies een stok die me verhinderd om te bewegen of te ademen… Het wordt me allemaal even te veel. De emoties van de afgelopen dagen, weken en maanden eisen hun tol. Heimwee en mijn liefde/haat verhouding met dit werelddeel maken me moedeloos. Daar zorgt Copan voor… Terug keren en zien dat alles hetzelfde blijft, doet pijn. Kijken in de ogen van de hongerige honden en dezelfde blik van verschopping zien bij de Indiaanse bevolking. Rosa, die nog steeds op de parque kunstbloemen verkoopt van geschilderde maisbladeren, zonder toekomst…zo lijkt het toch. La Pintada, een dorp zonder toekomst…zo lijkt het toch. Ik voel via mijn lichaam de pijn van een werelddeel. Pijn veroorzaakt door mijn emoties, hoewel ik weet dat ik de wereld niet kan verbeteren. Hier ter plaatse kan ik het enkel leren begrijpen en aanvaarden en het voor mezelf anders doen. Mijn ziek lichaam doet me vooral nadenken… 15 maart 2005. De laatste dag… Aime en ik, samen aan de rivier. We hebben fruit en bloemen meegebracht. We maken een vuurtje. We schrijven en wat we opschrijven vertrouwen we toe aan het vuur… Copan Ruinas, ik hou van je en probeer je los te laten… Vaya Pwez Linda EL SALVADOR, PERQUIN EN DE OORLOG 20 maart 2005 Reizen is leren moest ik ooit zingen op de lagere school. Het was tijdens een schoolreis naar de luchthaven van Melsbroek herinner ik me, in Zaventem werd toen alleen nog witloof gekweekt. Wat ik nu leer door te reizen is dat er na Todos Santos (zie een vorige reisverhaal) nog een ander eind van de wereld bestaat. Perquin, departement Morazan, land El Salvador. Na twee dagen te zijn geconfronteerd met de hoofdstad El Salvador, een confrontatie die ik iedereen afraad, tenzij je houdt van een stinkend en vervuild historisch centrum of een shopping centrum dat lijkt alsof het uit de States is weggeplukt, werd het hoog tijd om verder te reizen. De bus naar San Miguel is een luxebus met luie stoelen, airco en op drie schermen een Hollywood product met Spaanse ondertiteling. Er is zelfs een steward aan boord die tijdens de hele reis eigenlijk niet meer doet dan koffie en frisdrank aansleuren voor hemzelf en de chauffeur. Het einde van de film Bad Boys II, zal ik echter aan niemand kunnen vertellen wegens slechte timing van de bus die voortijdig in San Miguel aankomt. Bedoeling is dat we van hieruit een rechtstreekse verbinding nemen naar Perquin, waar we wanneer het een beetje meezit Ruth en Noe zullen ontmoeten. Ruth is van Brugse origine en haar man Noe is afkomstig van Nueva Esperanza. Ik neem aan dat iedere lezer Nueva Esperanza weet liggen, wat Brugge betreft, dat ligt in Belgie, provincie West Vlaanderen. Beiden hebben in Perquin en grote omgeving educatieve projecten lopen met jongeren. Van voor we op reis vertrokken hadden we dit bezoek gepland, evenals een mogelijke medewerking aan hun projecten. Op de busterminal is het snikheet. De ventilators aan het plafond kunnen niet meer dan de hete lucht wat in het rond blazen. Afkoeling brengen ze niet. Terwijl we enkele Pupusa’s (gevulde tortillas) naar binnen werken vertrekt de laatste bus naar Perquin, maar op dat ogenblik hebben wij daar nog geen weet van. Een uurtje later wel… Het lijkt wel een padvindersopdracht. Met zoveel mogelijk gemotoriseerde vervoermiddelen je bestemming bereiken. Even opsommen: ‘s ochtends een taxi naar de busterminal die aan het andere eind van de hoofdstad ligt, daarna een luxebus naar San Miguel, waar we dan wegens het eten van Pupusa’s, genoodzaakt zijn de chickenbus te nemen naar Gotera om aldaar over te stappen in een pick-up naar…Perquin. Het is bijna donker wanneer we aankomen en voor het eerst in enkele maanden zien en voelen we regen. Een heel ander gevoel om ergens nat aan te komen in plaats van bedolven onder het stof. Ruth lopen we tegen het lijf bij het buitengaan van het internetcafé waar we juist een mail naar haar hebben gestuurd dat we zijn aangekomen en van haar een mail te lezen krijgen dat ze er met de week van Pasen tussenuit trekt. Ze vertrekt zondag en op het moment dat we haar ontmoeten is het vrijdagavond. Het wordt een kennis making in versneld tempo. Nuevo Esperanza, Nieuwe Hoop, de naam van het dorp/leefgemeenschap dat de overlevenden en teruggekeerde vluchtelingen van de burgeroorlog hebben opgebouwd. Een burgeroorlog die eindigde in 1992, maar nog altijd de nodige tekenen en verwijzingen zichtbaar houdt om niet vergeten te raken. Het is de verjaardag van de moord op bisschop Oscar Romero. Dit jaar, op 24 maart is het precies 25 jaar geleden dat hij werd neergeschoten. Nuevo Esperanza herdenkt hem en herdenkt de oorlog. Een optocht, een eredienst, fototentoonstelling en dans en muziek in de namiddag. We worden ontvangen bij de ouders van Noe Martinez, partner van Ruth met wie ze twee jaar geleden huwde. De vrucht van hun echtelijke arbeid kruipt rond mijn voeten. Camilla wordt mijn jongste vriendin tijdens deze reis. Ten tijde van de burgeroorlog woont vader Martinez in Perquin en is er koerier van het rebellenleger. Hij wordt opgepakt en gemarteld. Padre Pedro, ofte Piet, een Bruggeling, slaagt er in om hem vrij te krijgen en hem alzo van een gewisse dood te redden. De hele familie vlucht naar Nicaragua… Piet loopt nu in Nuevo Esperanza rond als lokale padre. België is hem te ver, met het jaar verder. Telkens wanneer ik er terugkeer zijn en minder en minder vrienden en bekenden, zegt hij. Intussen heeft hij gezelschap gekregen van een andere Bruggeling, padre Dominique. Een generatie jonger en met een totaal andere drive. In een pick-up vol passagiers van een naburig dorp, met daartussen een hoop vrouwelijk schoon, komt hij het dorpsplein opgereden. Zijn outfit: jeans en witte t-shirt. Enige tijd later neemt hij samen met padre Pedro deel aan de eredienst, bijna onherkenbaar nu hij zijn lange witte werkplunje heeft aangetrokken. Dominique heeft hier geen oorlog meegemaakt. Van die stempel van het verleden is hij gevrijwaard. Tijdens zijn verlof reist hij. Cuba en Argentinië waren al aan de beurt. Dit jaar gaat hij naar België, al was het maar om Brugs te klappen… El Mozote, heropgebouwd na de burgeroorlog. Nieuwe huizen, nieuw dorpsplein. Vredig wegens moeilijk bereikbaar en gebrek aan toeristische infrastructuur. Aan het dorpsplein een gedenkmuur met namen. Aandenken aan de slachtpartij van december 1981. Er is geen plaats genoeg om ook de namen van de kinderen erbij te zetten, enkel de aantallen. Honderd tweeëntwintig zijn het er, allen jonger dan twaalf jaar… Ook Perquin heeft zijn oorlogsverleden. Onze kamer ligt naast en heeft uitzicht op het battlefield dat nu deel uitmaakt van het gemeentelijk oorlogsmuseum. Bordjes met bomkrater, loopgracht, helikopterlandingsplaats duiden precies aan hoe het allemaal was. Er staan ook, verspreidt over het slagveld, banken, banken om stil te zitten en te kijken naar de omringende natuur en de bergen. De drukkende energie die er nog altijd hangt vergeet ik even. Het uitzicht is wondermooi… Alegria, Aimé
SEMANA SANCTA EN DE PACIFIC 2 april 2005 Na meer dan vierentwintig uur onafgebroken live-uitzending is de paus overleden en Batman met spaanse ondertiteling is nu te bekijken op het kastje van hospedaje Cocibolco. Nicole Kidman is alweer op haar mooist, zelfs gekneveld en met een doek voor haar mondje. Linda en ik zijn in Granada neergestreken aan de oevers van het Lago de Nicaragua. Gisteren waren we nog in Las Penitas, aan andere oevers, die van de Pacific. De Barca de Oro en Sandrine Verzin boden ons er onderdak en het was niet makkelijk om er op te stappen. Een oceaan in al haar ruwe en onstuimige schoonheid, een verkoeling brengende zeebries, een rustgevende lagune voor de deur met op en afvarende visserboten, een zon die van geen ophouden weet, allemaal niet erg stimulerend om je rugzak te gaan pakken… Ton Van der Lee was er ook, maar dat hij het was wist ik slechts na de tweede dag, tijdens een babbel in het restaurant. Hoe heet je dan wel, vroeg Linda hem nadat ze aan de weet was gekomen dat hij in een vroeger leven scenarioschrijver, filmmaker en regisseur was geweest en de laatste jaren als schrijver van reisromans de wereld of althans een stuk ervan, verkende. In Afrika moest hij na vijf confrontaties met de malariamug de biezen pakken. Nu zwerft hij rond in Centraal Amerika, weliswaar op plaatsen waar malarimuggen geen verblijf houden. Las Penitas is één van die plaatsen. Hij is hier al enkele dagen en ondanks zijn kalme, beheerste manier van spreken en zich gedragen, bespeur ik toch een zekere rusteloosheid in hem. Wanneer hij me later vertelt dat hij na al die jaren reizen op zoek is naar een vaste stek, wordt mijn vermoeden bevestigd. Ton zorgt, zonder dat hij er zich van bewust is, voor opschudding. Hij rammelt aan de ketenen van mijn twijfel en motivering. Mijn motivering om te schrijven en mijn twijfel omtrent de waarde van wat ik aflever. Anderzijds blaast hij terug vlam in een droom. De droom ooit een boek te kunnen schrijven en uit te geven. Hij toont me de omslagen van de boeken die reeds van hem zijn verschenen. De boeken zelf heeft hij niet bij, die staan op zijn laptop, bespaart gewicht. Eveneens zonder dat hij er zich van bewust is, motiveert Ton me. Hij motiveert me om terug te gaan zitten met dat witte blad papier voor me. Een wit blad papier dat me uitdaagt, me jent, me tergt. Een wit blad papier dat me confronteert met mijn uitvluchten en drogredenen. Ton wil wat van me lezen. Ik mag hem wat van mijn geschrijf toesturen en hij belooft feedback… De dagen voor Las Penitas en de Pacific, breng ik door in Leon, de tweede stad van Nicaragua. Het is volop Semana Sancta wanneer ik er na dertien uur bussen aankom. Semana Sancta (ofte De Goede Week) brengt in Latijns Amerika dezelfde gekte teweeg als in Belgie de dagen voor Kerstmis. Openbare gebouwen blijven gesloten en velen die werken nemen verlof. De gelovigen lopen de kerken plat, want in elke kerk is wel wat te doen of ze gaan achter de processie door de stad. Om zes uur ‘s ochtends start de eerste processie en de laatste begint te stappen om negen uur ‘s avonds. Fanfares, zangkoren en houterige, opgedirkte heiligenbeelden gaan de drommen gelovigen vooraf. ‘s Avonds zijn de heiligenbeelden stralend verlicht, hetgeen heel mooi oogt al heeft het wel de nodige implicaties. De fanfare van dienst moet het immers opnemen tegen het lawaai van de generator, die gemonteerd op een bakfiets achter de beelden wordt voortgeduwd. In het beste geval hoor je enkel nog het ritme van de trommels en de hoempa tonen van de bombardon, boven het gejakker van de generator uit. Van het koor hou je enkel nog de mondbewegingen over. Even voelde ik me als een hardhorige die naar de opera gaat… Semana Sancta, ieder op zijn paasbest, ook de goddelozen en de minder gelovigen. Zij puilen uit de chickenbussen die in colonne richting kust rijden. Het lijden van Christus kan hen gestolen worden en zij laten zich gaan in het overmatig gebruik van spijs en vooral drank om zich daarna met bezwete lijven in zee te begeven. Na de Semana Sancta maken de kranten gewag van honderd vierenveertig doden, enkel in Nicaragua, die zijn omgekomen door verdrinking…ongeloof eist zijn tol. Intussen heeft Batman Nicole Kidman bevrijdt en men is overgeschakeld, rechtstreeks, naar de Plaza San Pedro in Roma, waar CNN (en Español), Juan Pablo II via beelden uit het verleden, terug leven inblaast… Alegria, Aimé Gringo in Granada 6 april 2005 De vierde ochtend in Granada, Nicaragua, breng ik door op het terras van Kathy’s Waffle House. De pancake met strawberrys en maplesyrup (ja, de spijskaart is in het Engels) heb ik juist achter de tanden en de tweede kop koffie, spijtig genoeg vrij slappe Amerikaanse, staat nu voor me. Het terras van het huis waar Kathy haar wafelen bakt, staat onder een oude, recent gerestaureerde gaanderij die een vijftal koloniale huizen met elkaar verbindt. De Spanjaarden hebben destijds ook mooie dingen gerealiseerd. Tegenover me de helblauw geverfde gevel van de San Fransicokerk, fel contrasterend met de okerkleurige muur waarachter het oude klooster, El Convento, schuilgaat. De zon blijft nog even weg. Lang zal het niet duren want het blauw krijgt meer en meer de overhand op de nevelige grijsheid. Het doet goed om eens een keertje van ’s morgensvroeg geen beschutting te moeten zoeken tegen priemende hittestralen. Granada is een goede stad om te vertoeven. Veel hoef je er niet te doen, gewoon de sfeer van de oude stad over je heen laten spoelen, vooral in de ochtend. De middag en de avond brengen een ietsje teveel toeristen op de been die, zij het ongewild, er voor zorgen dat de horden, dikwijls vrij agressieve bedelaars op snelheid komen. Bedeljongetjes en –meisjes die nog net niet met hun handen in je bord zitten of in je zakken op zoek gaan naar enkele Cordobas. Hun strekste wapens zijn hun vasthoudendheid en hun aantal. Het is een onbehaaglijk ja, zelfs bedreigend gevoel om ingesloten te worden door een troep kinderen die met uitgestoken handen rond je tafel blijven staan tot je toestemming geeft om in je pizza te graaien of de rest van je frisdrank door te spoelen. Voor alle duidelijkheid, deze kinderen zijn noch ondervoed, noch slecht gekleed, integendeel, onder hen zie ik heel wat Frijolitos en Frijolitas (zelfgekozen benamingen die ik geef aan weldoorvoede Centraal-Amerikanen die zich te buiten gaan aan het overvloedig consumeren van hun zo geliefde Frijoles ofte rode bonen). Ik de voorkeur geef aan de ochtenden. Voor mijn tafeltje stopt een busje. Toeristen. De gids spreekt Frans, de toeristen hopelijk ook. On a dix minutes pour visiter l’eglise . Tien minuten om de kerk te bekijken. Fototoestellen en videocameras worden haastig uit de tassen gehaald en in en drafje loopt de inhoud van het busje de kerk binnen. Tien minuten later is de plaats voor mijn tafeltje terug vrij… Alegria, Aimé VERWARRING.. Donderdag 7 april 2005 Een donderdag die gelukkig nog geen vrijdag is. Linda zorgt er bijna voor dat het jaar 2005 een dag minder telt. De dag dat ik Granada verlaat is een woensdag. Voor Linda is het donderdag. Verwarring! Wanneer de vijfdagenweek al meer dan een half jaar tot het verleden behoort, gaat men anders om met de dagen. De dagen bestaan nu uit licht en donker en de weinige uurroosters die ik moet respecteren zijn die van de chickenbussen. Tijdens de periode dat het licht is, doe ik dingen. Ik reis, ik lees, ik schrijf…wanneer de zon het voor bekeken houdt en het donker wordt, zit ik voor mijn cena (avondmaal) en later zoek ik een luie stoel als voorbereidende oefening op de slaap. In deze onbehaaglijke sfeer van verwarring stel ik zelfs mijn electrisch klokje, annex thermometer, annex kompas opnieuw in, op een dag later… Op de bus naar Rivas zitten op de bank voor me twee Franse meiden, zij brengen uitsluitsel, het is woensdag. Ook een stel Amerikanen die het gesprek volgen beamen dit. Mijn vertrouwen in mijn reisgezel is even zoek… Die ochtend, woensdagochtend dus, kuste ik Emilia adios. De stevige, dikke en vriendelijke kamer- en keukenmeid van hospedaje Cocibolca had er vier dagen voor gezorgd dat mijn verblijf letterlijk vlekkeloos verliep. Steeds in de weer met bortsel en poetsdoek zorgt ze er voor dat alles glanzend en proper blijft. Ik heb het anders meegemaakt… in het hospedaje in Leon aten de muizen, (of waren het ratten?) ‘s nachts mijn ontbijt. Het zakje met muesli en het zakje met havervlokken waar ik normaal op een gezonde manier mijn dag mee begin, was netjes opengeknaagd en in de veilige beschutting van mijn rugzak deden hele families derdewereldmuizen zich tegoed aan mijn proviand. Regelmatig zag ik ook een weldoorvoede kakkerlak uit mijn rugzak komen en zich haasten naar de veilige donkerte onder het bed, waar hij hoogstwaarschijnlijk onder de collegas kakkerlakken het nieuws verspreidde dat de muizen nog enkele kruimels hadden overgelaten. In Leon was geen Emilia die onmiddellijk komaf zou gemaakt hebben met deze ongenode gasten. Daar was het Pako, een graatmagere huisknecht voor wie het niet uitmaakte of de muizen nu uit mijn rugzak aten, ofwel mee aanzaten op de rand van zijn bord. Toen ik Leon verliet kreeg Pako uiteraard geen kus… De twee Franse meiden stappen uit, ze gaan een vulkaan beklimmen. Linda en ik rijden verder. In Rivas aan de busterminal leveren de taxichauffeurs bijna een veldslag om de enkele gringos die de ferry naar het eiland Omotepe willen nemen, naar de steiger in het nabijgelegen San Jorge te voeren. Ik hoef niet af te bieden, ze doen het zelf om toch het vrachtje niet hoeven te missen. De ferry is vertrokken, tien minuten geleden. Geen nood echter, er ligt ook een lancha aan de kade, een boot die naast de reguliere ferryverbinding ook de overtochten verzorgt. De Sancta Maria is een museumstuk, een drijvende ode aan de pioniers van de scheepvaart. Spijtig genoeg staat zij nog niet in een museum maar verzorgt zij nog meerdere keren per dag de vijftien kilometer brede overtocht naar het eiland. Omotepe, het grootste eiland ter wereld in zoet water, lees ik in de reisgids en het ligt in het al even onwaarschijnlijk grote Lago de Nicaragua (8.264 km2). Omotepe wordt gevormd door twee vulkanen die uit het meer oprijzen en door een smal stukje land met elkaar zijn verbonden. Beide vulkanen zijn sinds lange tijd inaktief en in de krater van een van hen heeft zich zelfs een meer gevormd met een eigen specifiek planten en dierenleven. Het eiland telt slecht enkele dorpen en overal verpsreidt vindt je bananen- en suikerrietplantages. Het is hier rustig, vredig zelfs. Buiten enkele pick-ups en sporadisch een chickenbus die de dorpen met elkaar verbindt, heb je hier geen autoverkeer. Even vrees ik voor een toeristische overrompeling, want in alle folders maakt men reklame voor een bezoek aan het eiland, maar die blijft uit. De stranden liggen er zelfs verlaten bij. Enkel de parasols in stro die de bakkende hitte wat moeten temperen, wijzen er op dat er een hotel in de buurt ligt. In de houten vloer van de Sancta Maria heeft men zetels geschroefd, van een afgedankte chickenbus. Aan de zijkanten puilt het schuimrubber er uit, maar het is alleszins comfortabeler dan op een harde houten bank te moeten zitten. Mijn bagage ligt op het bovendek, tussen manden met sinaasappelen en ananas en zij aan zij met de rugzakken van andere backpackers. Alles wordt bijeengehouden met een dik scheepstouw. Het belletje rinkelt drie keer en een stevige knaap draait zijn honkbalpet met de klep naar achteren en duikelt in het ruim. Enkele tellen later dreunt de dieselmotor. Een belletje later gooit men het meertouw los. Eens de beschuttende luwte van het haventje verlaten, laat het Lago de Nicaragua ( in de plaatselijk taal Cocibolca genoemd), haar ware aard zien. Behoorlijk grote golven en een stevige wind zorgen ervoor dat de Sancta Maria in al haar voegen kraakt en kreunt. Op en neer en van links naar rechts wordt ze gezwiept, terwijl de vermoeide dieselmotor zwoegt om haar vooruit te krijgen, richting Moyogalpa, het haventje van het eiland. De man op de bank achter mij is er gerust in, hij slaapt de hele overtocht lang. de bemanning maakt grapjes, lacht en verkoopt stoere mannenpraat. Halverwege de overtocht worden twee plastic vaten tot bij het luik naar het ruim gesleept. De gespierde knaap draait zijn honkbalpetje nogmaals met de klep naar achteren, verdwijnt in het ruim en komt enkele tellen later met een plastic darmpje boven. Dop van het vat. Diesellucht vult de ruimte. Darmpje er in en honkbalpet terug naar beneden. Het vervolg kan ik enkel vermoeden, maar wanneer hij terug zijn kop door het luik steekt, zie ik aan zijn snoet dat hij waarschijnlijk een ietsje te fors aan het dampje heeft gelurkt. Met een verwrongen grijns kijkt hij me aan en forceert een lachje. De Sancta Maria haalt ook deze overtocht. Ze mag een uurtje rusten terwijl de vracht van haar dek wordt gehaald en een andere in de plaats gezet. Dan vaart ze terug, heen en weer, heen en weer. Het museum is nog niet voor morgen… Alegria VERDRINKEN IN DE GOLVEN 8-4-2005 Omotepe, Nicaragua… 6u29…ik word wakker en voel een geradbraakt lichaam…door het open raam hoor en zie ik de zee vanuit mijn bed. Eigenlijk is het een meer, een meer dat lijkt op de Noordzee. Deze morgen lijkt het op een mini versie van de Pacific. Hoge golven die met veel lawaai aanspoelen op het fijne, grijze vulkaanstrand. Aime ligt nog rustig te slapen en voorzichtig haal ik mijn pijnlijk lijf uit bed. Op het toilet ondek ik dat mijn maandelijkse “vrouwenziekte” op bezoek is, dat gezien mijn leeftijd niet meer zo maandelijks is… Ik voel me loom en moe en in mijn buik zit precies een zeemonster dat schreeuwt om er uit te mogen. Gelukkig was het gisteren dat we gingen fietsen… Isabel, de poes van ons gasthuis Buenavista ligt al even moe en loom uitgestrekt voor de deur van onze kamer. We gaan samen in een rocking-chair zitten. De houten zitting is echter te hard voor de botten van mijn pijnlijke billen. We besluiten dan maar in een hangmat te liggen. Isabel is zwanger en ik leg mijn hand op het ronde buikje… na een tijdje voel ik het ongeboren leven in beweging komen. De wind koelt onze lichamen af en we liggen er ongestoord bij. Iedereen slaapt nog en het strand ligt er verlaten bij. Mijn ogen verdrinken in de golven… Ik zie Luna, onze poes, toen ze zwanger was. Een jaar geleden, toen we beslisten deze reis te maken. Ik zie het ongeboren leven dat Luna draagt geboren worden, het mirakel, dat leven noemt… Is het nu een mens of een dier dat geboren wordt, het blijft een mirakel. Een geschenk… Ik voel terug de pijn toen Bachilles, de zoon van Luna terug genomen werd, ik hoor de kreet die ik slaakte toen Aime zei dat hij dood was… Ik zie de bloemen in de tuin die de graven bedekken van Bachilles en Simba, de rosse kater van mijn dochter, die verliefd werd op Bles, onze kattin en die niet meer naar huis wou. Isabel lijkt op Bles. Dezelfde rust in haar groene ogen, het grijs getijgerde lichaam dat zich nestelt in mijn armen. Af en toe kijken we elkaar aan… we begrijpen elkaar. Het doet deugd te weten dat deze poes gelukkig is. Het doet deugd steeds gasthuizen te kiezen waar ook dieren zijn. Honden, poezen, papegaaien, apen, ja, Sandrine in Las Penitas had zelfs een wasbeer, Lucy… Isabel wordt hier verwend, zowel door haar baasjes als door de natuur. Gisteren zag ik haar een hagedis verorberen. Hagedissen die hier niet te tellen zijn. Overal zie je ze wegritsen tussen de bloemen en de planten. Deze hagedis had geen geluk… Ook dat zijn katten, ze geven en ze nemen… Ik hou van katten en soms nemen mensen me dit kwalijk. Sommigen zeggen dat je eerst voor mensen moet zorgen. Ik maak geen onderscheid. Voor mij is leven, leven… Mijn ogen verdrinken in het water, in de golven… Ik sta aan de grens van El Salvador…het is donker en ik staar vol ongeloof in het rond, amper beseffend dat ik in het land ben waar ik mij 25 jaar geleden zo verbonden mee voelde. Toen kon ik niet aannemen dat mensen zo veel leed werd aangedaan… Nu kom ik dit land bezoeken. “Wat wil je bezoeken?” vraagt de grenswachter mij. Ik zeg “Perquin”. “Oh ja, Perquin, Perquin…” zegt hij heel stilletjes. Meer zegt hij niet, maar in zijn ogen zie ik een blik die terug in de tijd gaat… Ik zie San Salvador. Alles behalve wat ik mij voorstelde. Ik ben geschokt wanneer ik het verschil zie tussen het oude stadsgedeelte en de winkelcentra buiten de stad. Het oude stadsgedeelte… een zot gedraaid circus, waar mensen schreeuwen en ieder voertuig claxonneert en manoeuvers uitvoert waar je hart bijna bij stil valt. De winkelcentra waar de meer beschaafden met hoge hakken en dassen, tasjes dragen van merkkledij… Ik waan me in twee werelden, ik heb het gevoel dat ik droom… Ook in Suchitoto ben ik geschokt. Tijdens de oorlog was dit een spookstad. Velen lieten er het leven en iedereen vluchtte… Nu is het een aangenaam stadje met vriendelijke mensen. Een kleurrijk en net stadje, met oude verzorgde koloniale huizen. Er is ook een meer… Suchitlan. Vanop een heuvel zie ik het meer in een kronkelende schoonheid. Wanneer ik er naar toe loop zie ik geen mensen en ik hoor enkel het fluiten van de vogels. Eenmaal aan het meer weet ik niet wat ik zie. Een spiksplinternieuw toeristengebouw mede gesponserd door Belgica! 246000 $ aub. werd hier zomaar weggegeven! Ik word even kwaad en zeg dat dit geld beter aan de mensen zou besteed zijn. Het maakt me opnieuw opstandig. Het is tenslotte ons geld! Terug trap ik in de val van mijn emoties… Suchitoto, een stad met een echt toeristencentrum, maar geen toeristen… El Salvador is het vergeten land. Wij zijn een van de weinige toeristen die dit vergeten land bezoeken… Waar we wel een paar bezoekers tegen het lijf lopen, is Perquin. Perquin, vooral vergeten door de regering. Ruth zegt “Perquin is vergif voor de regering”. Vergif dat niet uit te roeien is, gezien hier de geest van de oorlog verder leeft… Dit land bekruipt mij. Dit land en deze mensen bezielen mij… Toen, 25 jaar geleden en ook nu. Sprakeloos luister ik naar de verhalen van Mia Vercruysse, een Belgische vrouw die haar leven wijdt aan Salvador. Ze heeft er een muziekschool. Muziek, dat volgens haar nodig is om de ziel van deze mensen terug tot leven te brengen… Sprakeloos kijk ik naar de vrouw die ze mij voorstelt. Een vrouw die tijdens de oorlog elf van haar twaalf kinderen verloor… ze omhelst me hartelijk. In haar ogen zie ik blijheid en droefheid. Ik sta sprakeloos wanneer ik de namen lees van de slachtoffers van El Mozote… Ik probeer me voor te stellen hoe het is om als soldaat gedurende drie dagen deel te nemen aan een slachtpartij waarbij meer dan duizend mensen gedood worden. Mannen, vrouwen, kinderen, alles moest dood. Ook de dieren werden gedood. Er waren slechts twee overlevenden die het konden navertellen… Het lukt me niet…ik begrijp het niet. Dit land verdooft mij… dit land heelt mijn hart. Deze mensen helen mijn hart… Mercedes, onze gastvrouw die zo goed als ze kan onze gastkamer klaarmaakt. Een kale kamer zonder beddegoed of kussens. Een kaal toilet zonder licht of zitbril. Ze maakt tortillas voor ons klaar, gratis… Martha en Blanca, de plaatselijke comedorvrouwen, die met liefde en genegenheid rijst, groenten en bonen voor ons klaarmaken. Ze vragen er amper geld voor… Hun kinderen, die ons met veel belangstelling vragen stellen over Belgica… Wanneer we zeggen dat we weggaan kijken ze plots heel verdrietig en vragen of we blijven… Deze mensen helen mij en hun nederigheid maakt mij nederig… Ik zie Camila, het dochtertje van Ruth en Noe. Geboren in twee werelden. Ik zie het huis van haar oma, Mia in de Meersenstraat. Mijn straat. Ik zie het huis van haar oma in Nueva Esperanza, El Salvador… Camila, een kind geboren om speciaal te zijn. Grote, bruine ogen die nieuwsgierig de wereld verkennen. Camila, geschenk van een liefdesverbintenis tussen twee werelden… Terwijl mijn ogen verdrinken in de golven bedank ik El Salvador dat het mij de kans geeft om mijn emoties in evenwicht te brengen. Ik zie Aime en mezelf om vijf uur in de ochtend de bus nemen richting Nicaragua… Nicaragua, het land van Sandino, een held zoals Che Guevara. Hij en Somozo waren generaals in het leger. Sandino kwam op voor de mensen. In 1934 werd hij door Somozo vermoord… Een verhaal dat steeds terug komt in Centraal Amerika. Een oud guerilla vertelt mij het hele verhaal in een oud gebouw dat dienst doet als guerilla museum. Een museum in het hart van Leon. Leon, stad van kerken. Leon, naamgenoot van mijn vader… Het hart van Leon is anders dan alle vorige hoofdsteden die ik zag. Hoewel ik Cuba nog nooit heb gezien, doet deze stad mij er direct aan denken. De poorten van de koloniale huizen staan open en voor en achter iedere poort zitten mensen in rocking-chairs. Ze zijn trots hun binnenwereld te kunnen tonen aan de buitenwereld. In de binnenplaatsen staan zware massief houten meubelen en op iedere kast staan portretten van dierbaren. Ook de muren hangen vol fotos en schilderijen. Naast de schommelstoelen en kasten staat de auto, de fiets of de bromfiets. Ook de mensen doen mij aan Cuba denken. Donker van huid en deze mensen zingen en dansen. Nicaragua zou na Haiti, het tweede armste land van Centraal Amerika zijn. Wanneer je drie blokken buiten het centrum gaat is het duidelijk… In Leon zijn veel gringos en we ontmoeten er oude bekenden, waaronder Daniela en Andrea, onze Duitse reiskinderen. Ze zijn blij hun reisouders terug te zien. Ze hebben heel wat te vertellen, hoewel nogal aarzelend… Ze reizen niet meer alleen. Ze reizen met William, een Engelsman en met Michael, een Tsjech. Allen reizen ze met Linda, een oude in wit en oranje geschilderde Volkswagen, die ze omgetoverd hebben als kampeerwagen. Linda betekent mooi in het spaans, vandaar de naam. Ik voel me gevleid… je moet maar het geluk hebben Linda te noemen! Isabel beslist dat het linda is geweest en terwijl ze met een snelle sprong van me afspringt, keer ik terug uit de golven… Ik besluit vandaag geen yoga oefeningen te doen en ik ga mij ontspannen in het water. Ik leg me neer in de kleine golfjes vooraan en laat me meedrijven door de kracht van het water. Het warme water doet deugd en na een tijdje ontspannen mijn spieren… Mijn spieren die pijnlijk zijn door het fietsen van gisteren. Fietsen, op zich niets speciaals, maar met een stugge mauntain-bike berg op en af op verbrokkelde zand en steenwegen, is een uitdaging! Wanneer je boven komt zonder te moeten afstappen, voel je je als een renner in de Tour de France die net een col bereikt heeft. Maar dan komt de volgende uitdaging… naar beneden rijden zonder je voeten van de pedalen te doen of te remmen. Aime riep steeds “laat je gaan!” Maar met obstakels op de weg zoals honden, kippen, kalkoenen, varkens en paarden is dat niet evident. Van de schokken die door je lijf gaan spreek ik maar niet… Vandaag voel ik de sporen… Mijn ogen verdrinken terug in de golven en ik laat me meedrijven… Ik laat de spanning van mijn lichaam wegdrijven met de golven… Ik laat mijn gedachten en herinneringen meedijnen met de golven van Omotepe… Alegria! Linda ALWEER DIE TIJD 10 APRIL 2005 De nacht breng ik door in Hotelito Ali, vlakbij het haventje van Moyogalpa dat een ferryverbinding heeft met San Jorge, het vasteland van Nicaragua. De ferry die me in de andere richting moet overzetten over het Lago de Nicaragua vertrekt morgenvroeg om 9u. Ik kies voor het zekere en slaap dus op enkele honderden meter van de steiger. 's Ochtends stel ik vast dat muggen mijn lijf hebben gebruikt om een nachtelijk smulfestijn te organiseren. De plekken waar ze zich aan mijn bloed tegoed deden jeuken verschrikkelijk. Ook mijn zitvlak blijft niet gespaard. Tijdens mijn nachtelijke woelen stelde ik het gewoon, zij het onbewust, ter beschikking aan de hele muggenkolonie van Moyogalpa. 8 u40, Linda en ik aan de steiger, een steiger zonder overzetboot. Ook in de verste verte geen overzetboot te bekennen. Nog even wachten, misschien komt hij er toch nog aan. Enkele vrouwen zitten voor een vrachtje sinaasappelen te keuvelen, blijkbaar ook wachtend. Eén van hen veegt het sinaasappelsap uit haar mondhoeken en geeft antwoord op mijn vraag. De ferry van 9 u. is een uur geleden vertrokken...Is het vaarschema van de ferry dan gewijzigd vraag ik haar, en is de boot van 9 u. dan de boot van 8 u. geworden? Neen, de ferry van 9 u. is om 9 u. vertrokken. Ik haal mijn uurwerk boven en probeer haar ervan te overtuigen dat het un 9.10 u. is en dat de ferry nooit om 9 u. kan vertrokken zijn. Ze kijkt me aan alsof ik ruim te vroeg uit de psychiatrie ben ontslagen. Ik geef het op en vraag haar nog enkel wanneer de volgende boot komt. A la once señor. Nog bijna twee uur wachten. Gelukkig hoef ik eerst om 13.30 u. de bus te nemen naar San José, Costa Rica. Een kwartiertje later zie ik in de verte een boot naderen, een ferry. Weer een kwartier later meert hij aan. Nadat hij zijn vracht heeft uitgespuwd, doet men teken dat er mag worden ingescheept. Om 10 u. vertrekt de ferry van 11 u. richting vasteland !? Linda weet het ook niet meer en vraagt of mijn uurwerk wel gelijk loopt. Natuurlijk, mijn uurwerk loopt al zes maanden gelijk, vanaf het moment dat we in Guatemala de grond hebben geraakt, replikeer ik verontwaardigd. In het café, annex eethuis, annex busstation, hangt een klok aan de muur 11.15 u. precies wat mijn uurwerk ook aangeeft. Triomfantelijk haal ik Linda van achter haar Cola en wijs naar de muur. De cafébaas die ziet dat ik met klokkenverglijking bezig ben komt haastig van achter zijn toog en verontschuldigt zich voor zijn nalatigheid. Zijn klok is nog niet aangepast sinds voorbije nacht. Het is nu 12.15 u. señor! Nicaragua houdt er als enige Centraal Amerikaans land de gewoonte op na om twee maal per jaar het uur te veranderen. Op 10 april voor de eerste keer. Waarom? Niemand kan me er op antwoorden. Niemand stelt zich er ook vragen rond, alleen gekke gringos maken zich daar druk om. Alegria! Aimé SAN JOSE, ALFREDO EN PEPE 13 april 2005 Pralines van Guylian, koekjes en wafels van Destrooper, Belgische lekkernijen. Automercado in San José heeft het allemaal. Ik geloof mijn ogen niet, dit is niet meer dat arme Centraal Amerika. Ik haal de schabben niet leeg want ik heb mij zojuist, samen met Linda volgesnoept bij Giacomin, een overgezwommen Italiaan die hier in het rijke deel van San José het gat in de markt heeft ontdekt, nl. een echt Italiaans koffie- en theesalon. Drie koeltogen staan in U-vorm opgesteld en puilen uit van lekkere, zoete, dikmakende en cholesterolverhogende snoeperijen. Aan de linkerkant, chocoladefiguren, marsepein en koekjes. Voor me, taarten ,taarten en...taarten. Met fruit, Zwartewoudtaart, Sachertorte, kaastaart en nog tientallen anderen waarvan ik de naam bijzaak vind, maar het uitzicht des te boeiender. Rechts van me staan de gebakjes en het is daar dat ik blijf dralen. Verdomd moeilijk om te kiezen. Het wordt een gebakje met crème au beurre, overdekt met pistachemarsepein. Ik ben moedig en laat er nog een tweede bij leggen, met gemalen cashew noten. Een café con leche zal alles moeten doorspoelen. Linda laat zich niet kennen. Haar dieet helpt ze naar de verdommenis met een spie kaastaart belegd met verse aardbeien en een amandelgebakje. Ook zij neemt koffie. Aan het einde van de rechtse koeltoog wacht me nog een verrassing, de kassa! Prijzen zijn eveneens Italiaans. Ooit op een terras in Rome betaalde ik ook zoveel. Costa Rica is duidelijk anders dan zijn buurlanden. Een Centraal Amerikaans buitenbeentje. Tot op heden is het enkel de hoofdstad waar ik mee kennis maak. De natuur en de kust zijn voor binnen enkele dagen. De hoofdstad leeft en sprankelt. Autovrije wandelstraten en brede boulevards zonder walmende chickenbussen en taxi's. Tientallen parkjes en plantsoenen waar onder palmbomen gepraat geflirt en geschaakt wordt. Twee mannen spelen een voor mij totaal onbekend spel. Binnen een grote cirkel van naar schatting vier meter doorsnede worden tien smalle kegeltjes rechtop gezet, vijf rode en vijf zwarte. Met een mooi uitgesneden en versierde stok die een het uiteinde is afgeplat, is het kunst om met een rubber balletje dat net buiten de cirkel wordt geplaatst, de kegeltjes van de tegenstrever omver te werpen. Niet zomaar, er moet een bepaalde volgorde van de kegeltjes worden gerespecteerd. Wie het eerst alle kegeltjes van de tegenstrever neer heeft...inderdaad. De sfeer kan ik hier zowat vergelijken met die van een Zuidfrans stadje waar men petanque speelt. Gesticulerend en discussierend over de preciese plaats waar de bal moet vertrekken en de juiste plaats van de speler. Uiteraard wordt ook vanuit het omringende publiek het nodige, meestal ongevraagde, advies toegeschreeuwd. Ik bezoek het Museo Nacional, ondergebracht in een oud fort, waar in het begin van vorige eeuw nog flink werd gevochten. Ter herinnering heeft men de kogelgaten intact gehouden. Er loopt op dit moment een tijdelijke tentoonstelling met als thema de Inca Trail in Peru. Indrukwekkende fotos geven een voorsmaakje van wat er me binnen enkele maanden te wachten staat. Veelbelovend ! Het Teatro Nacional is van een totaal ander gehalte. Statige marmeren beelden, zuilen en trappen, met langs de wanden metershoge spiegels, geven me even de waan alos ik in één of ander pallazio in Firenze rondloop. Een verborgen suppoost maakt me er met een no flash señor op attent dat ik een van de huisregels heb overtreden. Het klimaat in San José is ronduit zalig. Terug temperaturen beneden de 30º C en nachten waarbij ik niet genoodzaakt ben om onder de douche te gaan en de afkoeling te vinden die de ventilator niet geeft. Ik slaap net buiten de stad in een hotelletje dat gerund wordt door Alfredo en Pepé, beiden geen echte Costa Ricanen. Pepé is skeletmager en een of andere gewrichtsziekte maakt dat zijn vingers alle kanten uitsteken. Wanneer hij schrijft is het net alsof hij probeert zijn balpen weg te goochelen. Hij is Italiaan, maar leeft al jaren hier in de hoofdstad. De voetbalderby A.C. - Inter, waarbij het lijkt alsof stadion en spelers in brand worden gestoken, kan zijn Italiaans bloed nog wat sneller doen stromen, verder gaan zijn nationale gevoelens niet. De moeder van Alfredo woont enkele straten verder. Dagelijks gaat Alfredo bij haar op bezoek. Toen zij hier kwam heette haar thuisland nog Tjechoslowakije. De vrijheid onder Havel heeft ze nooit gekend, die vond ze hier. Alfredo heeft geen boventanden, wat zowel zijn Spaans als zijn Engels moeilijk verstaanbaar maken. Hij doet echter zijn best en slooft zich uit om het me naar de zin te maken. Zijn favoriete tijdsbesteding is, evenals die van zijn companion, voetbal kijken. Elke wedstrijd die wordt uitgezonden op het kleine kastje naast de receptie pikt hij mee. Regelmatig gaat hij ook naar de plaatselijke voetbalploeg kijken, waar hij meestal de tweede helft mist. Redenen van persoonlijke aard houden hem tijdens de rust en ruim daarna, aan de toog gekluisterd. Beiden trakteer ik bij het afscheid op en doosje Guylian pralines... Alegria ! Aimé GOLFITO 16 april 2005 Ik moet keuzes maken. Costa Rica heeft zoveel te bieden aan natuur dat je meerdere maanden zou kunnen spenderen aan het bezoeken van alle nationale parken die het land rijk is. Ik besluit om richting zuiden te trekken, naar Golfito aan de Pacific. Deze streek lokte bij de reizigers die mijn weg kruisten en die Costa Rica al hadden bezocht de meeste golven van enthousiasme uit. Dit enthousiasme en het gegeven dat ik intussen al een heel eind op weg zit naar mijn volgende bestemming, Panama, bepalen mijn keuze. Golfito ligt nabij het parque nacional de Corcovado, een nationaal park, regenwoud, afgezoomd door kilometers lange, onbetreden palmenstranden. Men beloofde mij een hoop in het wild levende dieren en een ongerepte jungle. Het laatste stuk van de weg naar Golfito rijdt de autobus tussen plantages met palmbomen. De palmolie die uit de noten gewonnen wordt verscheept men via de haven van Golfito naar frituren en Chinese restaurants all over the world. Het stadje zelf wordt gevormd door een aaneengesloten saai lint van huizen, hotels en industriegebouwen, met gevels vastgeplakt aan de hoofdstraat. Hotel Mar y Luna ligt ook aan die straat maar staat met het terras in het water en biedt vanaf daar een onbeperkt zicht op de lagune en de omringende bergen. Het is hier heet en zwoel en de luchtvochtigheid is hoog. Ook zonder enige inspanning zweet ik uit alle porien. Aan de steiger van het hotel kom ik even bij van het zeven uur lang bussen en kijk naar het spel van een school kleine vissen die met hun zilveren lijfjes langs alle richtingen tussen de palen van de steiger wegflitsen. Ik zie terug pelikanen. Ik heb ze gemist sinds ik in Nicaragua aan diezelfde Pacific zat. De komende dagen zal ik er nog veel zien... 's Avonds hebben Linda en ik op één bezet tafeltje na, het restaurant voor ons alleen. We bestellen een grote schotel gefrituurde zeehapjes met gebakken platanos (een bananensoort die alleen gekookt of gebakken kan worden gegeten) en sla. Buiten de stad ligt een klein natuurreservaat, El Refugio noemt men het hier. De faculteit Natuurwetenschappen van de Rijksuniversiteit van Costa Rica heeft dit park onder bescherming en doet hier aan natuurherstel nadat er jaren terug hele stukken regenwoud werden kaalgekapt en omgevormd tot sinaasappelplantages. Bij gebrek aan een degelijke infrastructuur wordt dit park heel weinig bezocht. Aan de ingang zie ik in het bezoekersboek dat Linda en ik vandaag de enige gasten zijn. Ik vraag of er hier nog Toekans zitten. De ranger aan de poort zegt dat er nog wel enkele zitten, maar ze raar of zelden ziet. Ze zijn schuw. Zijn woorden zijn nog maar net uitgesproken of zijn collega wijst naar de kruin van een woudreus en gebaart ons stil te zijn. Toekan, fluistert hij. Wanneer hij enkele tellen later wegvliegt zie ik zijn zwarte lijf en zijn logge kromme bek. Een Toekan. Op de sentero wordt ik gevolgd door vlinders. Grote vlinders, fluweelblauwe vlinders. Wanneer ze gaan zitten en hun vleugels tegen elkaar plakken die ze bruin, hun schutkleur. Aan elke kant zit een tekening, een oog dat je als het ware aanstaart. Wanneer ik verder stap vliegen ze ook nog een stuk mee. Na ongeveer een half uur het pad gevolgd te hebben, hoor ik water, klaterend water, neervallend water en waar kan water beter neervallen dan in een waterval. Ook dit water denkt er zo over, wat maakt dat ik na de bocht die het pad maakt, een waterval zie. Enkele minuten later sta ik piemelnaakt onder een gordijn van natte kristallen het zweet van mijn lijf te spoelen. Het water trommelt op mijn huid en ik geniet van de verkwikkende afkoeling. Boven me, in de nevel van het opspattende water gonst een kolibri. Met zijn lange tong vangt hij de druppels uit de lucht, onbevreesd voor dat bleke gevaarte dat daar beneden staat te spartelen. Mijn enthousiasme werkt aanstekelijk. Linda's kleren vliegen ook in het rond en na enkele tellen staat ze naast me, gewoon naakt. In het begin vindt ze het maar koet (Brugs voor koud), maar na een tijdje dompelt ze zich ook onder in het koele nat. Het frisse gevoel is vlug weg wanneer ik terug in mijn kleffe zweetkleren kruip en mijn voeten opsluit in mijn stapschoenen. Het riviertje dat uit de waterval is geboren volg ik nog een eind, tot ik niet meer verder kan. Omgevallen bomen, lianen en grote keien versperren de doorgang. Op de terugweg zie ik een aap, hoog in de bomen. Wanneer ik hem vang in mijn verrekijker kijkt hij vragend terug. Aan de uitgang van het park kruist een mierensnelweg het pad. Tienduizenden bladsnijdermieren laveren als zeilboten achter elkaar naar een bestemming die ik niet kan zien, ergens ver weg in het bos. Morgen steek ik de Gulfe Dulce over, naar Puerto Jiminez en het het nationaal perk van Corcovado. Alegria ! Aimé ZANDVLIEGEN,APEN EN DOLFIJNEN Zandvliegen zijn muggen. Hoe ze aan de naam zandvliegen zijn geraakt weet ik niet, maar wat ik wel zeker weet is dat het muggen zijn. Gemene muggen die het spel niet eerlijk spelen. Een gewone mug geeft je kansen. Ze prikt, je voelt het en je kan meppen. Soms moet de mug het onderspit delven, maar een mug die bij de pinken is ziet de opgeheven hand aankomen en zoemt weg, naar een ander slachtoffer. Dat is het spel. Het strand van Puerto Jiminez nodigt uit tot zwemmen, zonnen en naar de boten turen die knikkebollend dobberen op de deining van de Golfe Dulce. De zandvlieg, geslepen als ze is, verbergt zich achter een schelpje, een stukje zeewier of een takje en wacht tot er mensenvlees voorbijkomt, gaat zitten of zich neerlegt. Overal waar ze met haar priksnuit bij kan, prikt ze en het mensen vlees voelt niets en gaat na gezwonnen, gezond en getuurd te hebben weer huiswaarts. Rode stippen als na een aanval van mazelen sieren de volgende dag voeten, benen, billen, buik en rug. Mochten ze niet gepaard gaan met een enorme jeuk, zou met het verschijnsel nog te leven zijn, maar je moet krabben ook al weet je dat wanneer je krabt, de jeuk enkel nog erger wordt. Dit dwangmatig scharten en schurken kan tot twee dagen aanhouden en steekt op de meest ongelegen momenten de kop op. Plots kom je tot de vaststelling van hè het jeukt niet meer en wat later sta je aan de kassa van de supermarkt en daar begint het opnieuw. In plaats van je geldbeugel boven te halen moet je eerst de jeukaanval op rug en benen afslaan terwijl er een rij wachtenden achter je staat en de kassierster je met een aangeleerd geduld meewarig aankijkt. Zandvliegen zijn muggen en in de plaatselijke apotheek hangt een poster van Bayer waarop ze meer dan 1000 X vergroot staan afgebeeld. Smeer Autan op je lijf en de eerstvolgende vier uur negeren ze je. De poster zie ik helaas te laat, mijn voeten en benen staan vol rode stippen. Jeuken doen ze niet meer, tot... Puerto Jiminez ligt aan de andere kant van de baai van de Golfe Dulce, tegenover Golfito. Voor me, een rimpelloze zee. Achter me woelt de schroef van de ferry het water achter zich weg. Het lawaai van de stampende dieselmotor is niet in verhouding met de gemaakte snelheid en slechts langzaam zie ik de andere oever zich duidelijker aftekenen. Links van me, als ik het goed heb is dat bakboord, komt het wateroppervlak tot leven. Dolfijnen...Al duikelend en springend voeren ze hun gratis show op, tot groot jolijt van de aanwezige passagiers. Het spektakel zorgt er voor dat de duur van de oversteek ineens veel korter wordt en wanneer de dolfijnen voor goed onder water verdwijnen is de boot al een flink eind opgeschoten. Op de steiger kan ik al de wachtende menigte onderscheiden. De eerste nacht in Puerto Jiminez wordt er niet veel geslapen. De bar die bij het hotel hoort doet het goed en hoe later het wordt, hoe luider de muziek uit de boxen wordt gepompt. Om twee uur valt de muziek stil, tenminste in de bar. De naastgelegen discotheek neemt het verder over. De andere morgen om 8 u. heb ik mijn rugzak al over mijn schouders en ga ik op zoek naar een ander nachtverblijf. Puerto Jiminez, de uitvalsbasis voor hen die Corcovado willen bezoeken. Reserva Nacional de Corcovado staat er op de borden en het is een van de merkwaardigste en meest waardevolle natuurgebieden in Centraal Amerika. Geraken kan je er enkel met een pick-up met 4 x4 aandrijving of met eem vliegtuig. Ik kies voor het meest budgetvriendelijke en neem de pick-up. De afstand bedraagt 36 km. en de rit duurt meer dan twee uur. De weg is voor het merendeel in erbarmelijke staat of op sommige stukken totaal onberijdbaar zodat er over de bermen moet gereden worden die op hun buurt ook meer en meer onberijdbaar worden. De pick-ups rijden en konvooi voor het geval één van hen vast komt te zitten in de modder of in één van de talrijke rivieren die moeten overgestoken worden. Waar de weg eindigt, begint de oceaan, de Pacific. De Pacific is hier wild, ruig en onbetrouwbaar. Metershoge golven brengen een indrukwekkend schouwspel. Ze bouwen zich op tot hun maximale hoogte en storten zich dan bulderend op het strand en de rotsen. De ingang van het reservaat bevindt zich drie en een halve kilometer verder langs het strand. Het is warm, nee heet en al en enkele honderden meter zijn Linda en ik drijfnat van het zweet. Over het strand hangt een nevelgordijn dat zich vasthaakt in de vooroverbuigende palmbomen. De luchtvochtigheid is bijna 100 procent. Hier geen zwemmers of zonnekloppers. Het strand is ongerept op wat wrakhout en afgevallen kokosnoten na. Boven me wordt er geruzied. Enkele macaws, rood-blauwe papegaaien, zitten elkaar om een voor mij onbekende reden in de veren. Veel geklapwiek en geschreeuw tot één van hen afdruipt en een andere boom kiest. In het bureel van de rangers blader ik naar gewoonte in het gastenboek. In maanden zijn hier geen Belgen op bezoek geweest. Zijn wij dan geen ras van reizigers? Honderden purperen krabbetjes met rode scharen en rode poten haasten zich voor mijn voeten weg wanneer ik het park betreed. Ze zoeken hun schuilplaats tussen rotsspleten en boomstronken of blijven onbeweeglijk zitten in de veronderstelling alzo niet gezien te worden. Een leguaan staart me aan. Enkel de slikbewegingen in zijn kwabbige keel verraden dat hij leeft. Een hagedis met opgeheven staart ritst weg tussen vergande bladeren. In de takken rondom me gaat het bladerdek bewegen, apen. Zij doen geen moeite om onopgemerkt te blijven, integendeel. Een familie whiteface monkeys of Kapucijneraapjes blijft rond Linda en mij draaien. Ze naderen tot op enkele meters en blijven dan...kijken. Met hun vertederende snoet en hun blinkende ogen staren ze ons aan. Op meer veilige afstand zitten de moeders met hun kroost op de rug. Het oudste mannetje geeft aan dat het nu wel genoeg is geweest en de hele clan verdwijnt weer tussen het bladerdek. Ik bereik het punt waar moet worden teruggekeerd wil ik de laatste pick-up nog halen die me terug naar de bewoonde wereld brengt. Sandwichbroodjes, choco en bananen liggen klef te wachten in de rugzak. Heb al lekkerder gegeten. Linda zondert zich even af aan de rand van het bos en krijgt ongevraagd gezelschap van een neusbeertje. Tussen het struikgewas gaat hij op zoek naar wat eetbaars en verdwijnt weer. Op de terugweg verspert en goeddoorvoede spin me de weg. Ze heeft tussen twee lianen haar net gespannen en in het midden ervan schommelt ze mee met het ritme van de wind. Ik loop er respectvol om heen. Zulk een web opnieuw moeten weven is niet niks... Ik ben een half uur te vroeg aan de plaats waar de pick-up me zal ophalen en wanneer ik twee en een half uur later in Puerto Jiminez aankom is het al lang donker. In het enige internetcafé dat het stadje rijk is, wil ik nog vlug enkele mails de wereld insturen. De normale prijs voor een uurtje internetten bedraagt 1000 Colons of +/- 2 USD. Voor gringos wordt de prijs plots verhoogd tot het dubbele. Ik bedank. Alegria ! Aimé WITTE STRANDEN EN GEKLEURDE HUIZEN Bocas del Toro/22-4-2005 21u30 “The Blue House”... achter me op het terras van de hospedaje waar we vandaag onze rugzakken uitgepakt hebben, staan zeven “boys” luidruchtig en met het nodige babbelwater, hun avonturen aan elkaar te vertellen. Vier Australiërs, een Brit, een Deen en een Nederlander. Vandaag gingen de Australiërs vissen en hun buit is een uur geleden verdwenen achter hun kiezen. Helen, 27 jaar, Costaricaans bloed vermengd met Columbiaans bloed, runt sinds drie maanden de “Blue House”. Na een jaar en half Europa en Egypte rondgezworven te hebben, ja, soms is het omgekeerd, is ze hier neergestreken. Niet voor lang, zegt ze, want ze wil naar Australië. De Australian boys kunnen haar droom alleen maar opwarmen, wat ze ook doen en niet enkel haar reisdromen... In de namiddag kwamen we aan in Bocas del Toro na een vier uur durende rit vanuit David en een half uur durende oversteek naar het grootste eiland van Bocas del Toro, Colon. Vier uur vergaapte ik me aan het landschap van Panama. Het vlakke van Costa Rica werd omgeruild voor hoge, groene heuvels en bergen en al even groene, diepe valleien. De metershoge hibiscushagen en struiken bleven in Costa Rica en nu kleurden vlijtige liesjes, kilometers lang onze weg tot El Mirante, Noord Panama. We zijn terug op een eiland en terug aan de Caraïbische zee. Ik ben wat teleurgesteld... geen wit zandstrand met hoge palmbomen... In plaats daarvan krijg ik een ellenlange straat vol pittoreske hotelletjes en restaurants, allemaal met uitzicht op zee. Allemaal even duur... Overal waar we prijs vroegen was het 30$ of meer. Maar we hadden een alternatief. The Blue House, ons aangeraden door twee Israëliers in “The Purple House”, een paar dagen geleden toen we in David waren. Gekleurde huizen... leuke huizen... In het Purple House deden ze dan ook hun uiterste best om het huis haar naam waardig te maken. Andrea en Jose, de uitbaters. Zij, een Amerikaanse die jaren zelf als backpacker de wereld rondtrok. Ze zag er uit als een pensionaatoverste. Groot en struis gebouwd en wanneer ze je aankeek had je het gevoel dat je iets verkeerd gedaan had. Dit was maar schijn en Jose, een Panamees, zag de goede inborst achter de strenge blik. Ze liepen elkaar tegen het lijf in een vrijwilligers- project en het klikte. Door hun vlotte samenwerking was het verblijf in hun Purple House dan ook uiterst aangenaam. Het was Andrea die van purple hield en zowel buiten als binnen muren werden purple gekleurd. De inboedel bestond uit koppen, borden, bekers, bestek, lakens, kussens, zetels, spiegels en allerhande muurversiering, ja, allemaal in dezelfde kleur. Zelfs de halsband en de eetbak van Fluffy, de hond was purple! Hun hele hebben en houwen deelden ze met hun gasten, bewonderenswaardig! Ook hier, in de Blue House, zijn we terug in een “open” huis. Het met smaak, Oosters ingerichte salon, het balkon, de keuken, alles staat ter onzer beschikking. Prijs, 15$. De boys worden ondertussen vriendelijk, maar kordaat verzocht om hun verhalen verder te vertellen in de bar en die zijn er op het eiland genoeg. Helen weet blijkbaar hoe ze haar boys moet aanpakken, want tien minuten later zijn ze het huis uit. De rest van de avond is het terras voor ons. Met uitzicht op zee... De volgende morgen fietsen we naar Playa Bluff. Een mooi wit zandstrand volgens Helen, maar het is wel “even” fietsen, zegt ze. Weeral is fietsen lijden... Een bijna onberijdbare weg onder een brandende zon. We rijden paralel naast de strandlijn en het is niet altijd even duidelijk of we nu op de weg of op het strand rijden. Meermaals moeten we afstappen en stukken te voet doen. Na ongeveer drie kwart uur houdt Aime het voor bekeken! Hij plaatst zijn fiets tegen een boom en zegt “dit wordt het!” Ik kijk hem boos aan, want er is nog geen wit strand te bespeuren. Het rotsstrand zorgt voor een sterke stroming en kuilen tussen de rotsen lopen vol water iedere keer er een golf op het strand aanspoelt. “Hier ga ik niet in het water!” zeg ik nog bozer! Aime wil echter niet meer verder, dus het worden de kuilen of niets... Ik pruil eerst nog een beetje, maar ga uiteindelijk toch het water in. Ik controleer en probeer wat kuilen uit en vind een plaatsje om te baden, zwemmen zit er niet in. Ik geef toe, ook dit is plezant! De stroming maakt dat er een soort whirlpool ontstaat, warm en gratis. Ik heb er de terugweg voor over. Het witte zandstrand lag vijf minuten verder... De tweede en laatste volle dag in Bocas boeken we een toer naar de andere eilanden. Om 9u30 vertrekken we om pas om 17u terug te zijn. De motorboot brengt ons eerst naar Dolphin Bay maar ofwel zijn de dolfijnen nog niet wakker, ofwel hebben ze er vandaag geen zin in om hun kunstjes te tonen aan op spektakel beluste toeristen. Na een half uur houdt John, onze schipper, het voor bekeken. En wij, wij moesten het stellen met enkele glimmende ruggen, een opzwiepende staart en een enkele dol fijne snuit. Het kon beter en we gaan snorkelen... Voor iedereen dolle pret, behalve voor mij. Het water is veel te diep, ik kan met mijn voeten niet aan de grond. Jaloers kijk ik naar de anderen die zich begeven in het heldere water, dat precies lijkt op groot aqarium. Ik zie hun lichamen wegglijden tussen ontelbare gekleurde vissen. Daar wil ik ook in, besluit ik en ik ga een zwemvest halen. Na nog wat getreuzel en een strenge blik van Aime lig ik in het water, met zwemvest. Er is echter nogal wat stroming en de zwemvest verhinderd me om te zwemmen. Hoe harder ik probeer te zwemmen hoe minder ik vooruit ga. Leuk is anders... Lang in het water ben ik niet en terwijl iedereen verder snorkelt bewonder ik hun moed vanop de kade. Niet getreurd echter, want er is me nog een white sand beach beloofd! Na het middagmaal scheren we met de boot tussen ontelbare kleine mangrove eilandjes tot we aankomen bij Red Frog Beach of het strand met de rode kikkers. Wanneer we uitstappen is er noch een wit stand, noch een rode kikker te bespeuren... We wandelen door een stukje mini jungle en ananas velden naar de andere kant van het eiland en ja hoor, daar ligt het! Een parelwit zandstrand, hoge palmbomen en een helblauwe zee waar je alleen maar kan van dromen. Dit is echter geen droom... We lopen verder langs de vloedlijn, tot waar we terug een stukje jungle zien. John, schipper en gids, bukt zich plots en tovert een knalrode kikker voor ons! Het beestje is piepklein en lijkt op een speelgoedkikkertje. John plaatst het op een groen blad, waar het mooi blijft zitten tot iedereen een foto heeft genomen. Wanneer het beestje plots van het blad wegspringt op mijn buik, weet ik dat het echt is... We proberen zelf nog om tussen het groen enige kikker te bespeuren, maar het blijft bij dit ene exemplaar. Dan maar genieten van ons droomstrand en zwemmen in het zalige water. Voor mij kan de dag niet meer stuk! Terug varen we verder en John toont ons zijn vaarkunstjes. Eerst de ene kant van de boot op zijn zij en dan de andere kant. Het frisse water spat in ons gezicht en Aime kijkt me vragend aan. Maar zelfs ik vind dit uiterst leuk! Onze laatste bestemming is terug snorkelen. Ik ga zonder zwemvest in het water en snorkel tussen vissen en koralen. Ik kan nog net met mijn voeten aan de grond... ¡Alegria ¡ Linda PANAMA PANAMA...de city 26 april 2005 Om 10 u ‘s ochtends zeggen we Andrea en José een misschien tot ziens, je weet maar nooit, en stappen we in de taxi richting busterminal. Zeven uur later staan we tussen de wolkenkrabbers van Panama City. Het contrast kan niet groter. Urenlang schuifelt de bus op een rustige tweebaansweg tussen weiden met koeien, velden en bananenplantages. Af en toe een stop in een dorp of een stadje om een passagier op te pikken of te laten afstappen. Families met halfblote kinderen staan aan de bushalte, wuiven een opgestapte grootmoeder weg of nemen de pakjes aan van een oom die samen met ons was ingestapt en de hele tijd met vooruitgestoken kin, nietszeggend voor zich uitstaarde. Dan wordt de tweebaansweg er een van vier rijstroken en ook het verkeer wordt wat drukker. De passagiers zijn zich van het buitengebeuren niet bewust. Zij hebben de gordijntjes dichtgeschoven en kijken naar een Duitse politiefilm waarin een hauptinspector wordt gedwongen Spaans te spreken. Het lukt hem behoorlijk, alleen zijn mond wil niet echt mee. Het toenemende verkeer wordt een file die zich vastzet voor een tolhuisje op de autoweg. Wanneer de bus zich terug op gang trekt, stijgt de weg en zien we rechts van ons de zee, dat moet de Pacific zijn. In de verte een rij stilliggende oceaanreuzen. Dan komt het ijzeren geraamte van een brug voorbij het raam en nog wat later, beneden ons, het Panamakanaal. Een sleepboot trekt een witte “V” in het water en er achter hangt hulpeloos een zeereus volbeladen met containers. Hij zal naar de sluizen links van ons worden gesleept, maar die kunnen we niet zien, de politiefilm is nog bezig en de gordijntjes nog gesloten aan de overkant van het gangpad. De bus draait naar links en de skyline van Panama city komt in beeld, of is dit New York? We zien zelfs look a likes van de Twin Towers, geen New York dus... Het verkeer gaat vlot en korte tijd later rijden we tussen de hoogbouw de stad door. Aan weerszijden van de brede boulevards, winkels, mega-winkels, fast food restaurants, supermarkten die nooit sluiten, casino’s, hotels en... banken, vooral banken. Elke bank van over de hele wereld heeft hier wel een wolkenkrabber als filiaal. Het Panamakanaal heeft haar stad geen windeieren gelegd. Op de derde verdieping van een flatgebouw van 10-hoog, midden tussen de skyscrapers bevindt zich het Hostal Voyager. Backpackers die we al in andere hostals en dormitory’s hadden ontmoet, lopen we hier terug tegen het lijf. Een beetje eigenaardig dat wel, al die ruige en ongecompliceerde trekkerstoestanden te midden van een overgeciviliseerd stadsdeel, waar dames in mantelpakjes en heren met witte boorden de trottoirs bevolken. Hoewel de buitenkant van de Voyager chique aandoet, is onze kamer spartaans. Een bed, waarvan we diezelfde nacht nog alle veren zullen voelen en een plafondventilator. Voor 17 USD, hebben we al in veel betere hotels geslapen. Het duurt even voor we de juiste bus hebben gevonden die stopt aan de ingang van het sluizencomplex van het Panamakanaal. Hoewel je ieder afgelegen hoekje in de hoofdstad met de bus kan bereiken, is het niet makkelijk om er als vreemdeling je weg te vinden. Reizigersinformatie aan de busstations is onbestaande en buitenlanders zie je dan ook niet op de bus zitten, gemakshalve nemen zij een taxi. Met het nodige gevraag aan straatventers en voorbijgangers, zitten we dan uiteindelijk toch waar we zitten moeten. Aan de halte van het sluizencomplex zijn wij de enigen die afstappen. Hoewel in 1999 het Panamakanaal officieel door de Amerikaanse regering aan de Panamese staat werd overgedragen, gaat het er hier nog heel Amerikaans aan toe. Een groot deel van het personeel bestaat uit Yankees en wat je er ziet rondrijden zijn grote limousines vrachtwagens van Ford en GM. Spaans hebben we hier amper horen spreken. Het museum waar we na een voorafgaande promotiefilm binnengelaten, geeft op een duidelijke en overzichtelijke manier alle info over verleden en heden van het Panamkanaal. Wat ons vooral bij blijft is dat bij de aanleg van het Panamakanaal 1/3 de van de arbeiders is omgekomen, of om cijfers te noemen, bijna 25.000 mensen. Ze kwamen om, niet in hoofdzaak door arbeidsongevallen, maar wel door gele koorts en malaria. De jungle gaf zich niet zomaar gewonnen. Boven op het terras van het toeristengebouw, ergens ander wordt je trouwens niet toegelaten, hebben we een uitgebreid zicht over een stuk van het kanaal en de sluizen. Treintjes trekken van op de oever een Chinees schip binnen in de sluis en zorgen ervoor dat het met behulp van kabels precies in het midden blijft, zonder de betonnen wanden te raken. Op minder dan een kwartier is de sluis volgelopen en worden aan de andere kant de sluisdeuren opengedraaid. Het schip kan nu verder naar de tweede van de in totaal drie sluizen. Kosten v de bewerking: +/- 3.000 USD afhankelijk van de tonnemaat van het schip. Tussen jungle en oerwoud zal de Xian Yu, thuishaven Hong Kong, na een trip van om en bij de 55 km. De Atlantische Oceaan bereiken. Hij kan ook langs Kaap Hoorn varen en de romplslomp van de sluizen hebben vermijden, maar dat is wel een ommetje van om en bij de 16.000 km. Weer is het klungelen met busverbindingen, ditmaal om de stad in te raken nl. de oude stad, het antieke en koloniale Panama. Een politieagent met bulldog uiterlijk die naast ons op de bus zit, helpt ons uit de nood. Veel woorden gebruikt hij niet. Een snauw naar de buschauffeur waar hij dient te stoppen en een bevelende arm naar een taxichauffeur, met de nodige instructies waar hij ons moet afleveren. Na een bedankje kijkt hij ons aan zoals alleen bulldogs kunnen kijken, maar dan met een pet op. Panama Antigua heeft geen enkel vergelijk met het nieuwe Panama dat een vijftal kilometer verder, aan de andere kant van de baai ligt. Wij rijden in een slakkegangetje de oude stad binnen aan de kant van de vissershaven. Het is lage tij en de vissersbootjes liggen op hun zij als aangespoelde reuzenvissen. Rond de kraampjes van de visverkopers gonst het van bedrijvigheid. De aangevoerde vangst wordt gekeurd en betast. Uit de plastic draagtassen steken vissestaarten uit als een ultiem gebaar van overgave. Onder de schragen proberen schichtige honden de glibberige ingewanden te bemachtigen. Als ze rap genoeg zijn krijgen ze geen schop... De volksdrukte ebt weg wanneer de taxi ons dieper in de stad afzet. Straten zijn afgespannen voor het verkeer en voetgangers worden gecontroleerd door de veiligheidsdiensten. Na dit verplichte nummer komen we terecht tussen oude paleizen, nalatenschap van de Spaanse bezetter. De president zag blijkbaar ook het schone van dit erfgoed en vestigde zich in een ervan, het grootste. Ooit reed hier in de stad ook een tram en waar de bobbelkeien zijn blijven liggen zijn ook de sporen nog zichtbaar. Een brandweerwagenrode taxi brengt ons terug naar het andere uiterste, waar de avondspits zich op gang trekt. Witte boorden en mantelpakjes haasten zich huiswaarts. Op het balkon van de Voyager is nog een hangmat vrij, dat wordt vechten... Alegria! Aimé
PLANNEN GEWIJZIGD 4 MEI 2005 Centraal Amerika hoort sinds enkele dagen tot het verleden. In Panama namen we er afscheid van. Zuid Amerika wordt deel twee van onze reis en Ecuador wordt het eerste land dat we aandoen, tenminste…als onze plannen niet wijzigen. Destijds in Casa Escondida (zie San Felipe en zijn honden) had men ons ten stelligste aangeraden om toch Columbia niet over te slaan en zeker de oude vestingstad Cartagena te bezoeken. In Granada was het de Amerikaanse hotelbaas Jimmy die ons hetzelfde adviseerde en op ons pad kruisten we verschillende reizigers die Columbia al hadden aangedaan. Allen waren eenduidig: niet overslaan, doen ! Columbia, het land van de Cali- en Medellincartels, cocaine en drugs. Een land waar je in het beste geval wordt beroofd en terug vrijgelaten en in het slechtste geval wordt gegijzeld tot er het nodige losgeld boven komt, zoniet…Kortom: te mijden ! Wie en wat nu geloven? Naar een reisbureau moesten we toch om een ticket te halen voor Quito-Ecuador. Dit was een geode gelegenheid om voorzichtig te informeren of er mogelijkheden waren voor een tussenstop in Cartagena op onze weg naar Quito. De dame die ons bediende bracht duidelijkheid en tegelijkertijd uitsluitsel. Bezoek Columbia en doe zeker Cartagena en Bogota aan, maar vermijdt alleen reizen over de weg en in de bergen. Aan ons de keuze. Voor het kostenplaatje moesten we het zeker niet laten. Een ticket Panama-Quito, met tussenstops te Bogota en Cartagena kostte ons slechts 45 USD meer dan een rechtstreekse vlucht Panama-Quito. En zo geschiedde, we zetten Columbia mee op onze reisroute. De vlucht naar Bogota zat niet mee. Een trip van 70 min. werd er tenslotte een van drie uur. Overbelasting van de luchthaven van Bogota was hiervan de oorzaak en toen het vliegtuig na anderhalf uur landde veronderstelden we ter bestemming te zijn aangekomen. Bij het uitstappen echter werden we naar de transitafdeling geleid. Het bleek dat we waren geland in Medellin en daar dienden te wachten tot het luchtverkeer boven Bogota wat minder druk werd. Medellin staat nu dus ook op onze lijst van bezochte steden, echter meer dan de tarmac van de luchthaven zagen we niet. Bogota, we trokken er twee en een halve dag voor uit om de stad te bezoeken. Met de opgelopen vertraging bleven ons nog slechts twee dagen over. We vonden verblijf in hotel Aragon, een oubollig hotel, daterend uit de veertiger jaren en sindsdien nog amper aangepast of gemoderniseerd. De overheersende kleur in de gangen is bruin, donkerbruin. Eer we onze kamer kunnen bereiken moeten we door een labyrint van duistere gangen, schoorvoetend en met de handen tastend langs de muur om de lichtschakelaar te vinden. Te midden van deze zwarte donkerte en na tevergeefs de muren te hebben afgetast, baden we plots in een overweldigende en pijnlijke overvloed van schelle verlichting. Een electronisch oog, ergens verborgen tussen de spleten van de lambrisering heeft ons gezien. De deur van de kamer vinden is nu slechts kinderspel. De hotelbaas, zich er van bewust dat enige modernisering in zijn ouwe keet welkom was, investeerde in dit technisch hoogstandje maar vergat, of vond het niet nodig om dit alziend oog aan het begin van de duistere gang te plaatsen. Maar, zoals alles in het leven, raak je ook dit gewoon. Na enkele keren wisten we precies hoeveel stappen je blindelings in het duister moest zetten alvorens het oog in de spleet ons zag en ons pad verlichtte. Ons oubollig hotel ligt in de wijk La Candeleria, een oude historische wijk. Koloniale woningen met rustgevende binnentuinen en patio’s, uitnodigende eethuisjes en koffiebars, kunstgalerijen en piepkleine teatertjes. De bewoners, voor een groot deel studenten - La Candeleria is ook het stadsdeel van de universiteiten - zijn zich van de waarde van hun patrimonium bewust en koesteren het liefdevol. Oude troosteloze huizen krijgen hippe kleuren en fleuren de hele buurt op. Slenteren langs de straten wordt een verwenning voor het oog. We bezoeken de oude stad en het museum van de Donacion Botero, waar we een uitgebreid overzicht krijgen van het werk van deze Columbiaanse schilder en beeldhouwer. Zijn overdrven pompeuze en opgeblazen figuren steken op een subtiele manier de draak met de al even opgelazen ego’s van de afgebeelde bourgeoisie en hoogwaardigheidsbekleders. Kunst met een knipoog. De Donacion Botero bezit ook nog werk van andere kunstenaars. We kwamen hier o.a Picasso, Willen de Kooning, Jean Miro en de exhibitionistische vrouwen van Paul Delvaux tegen. Bogota is een rijke stad, rijk aan kunst, cultuur en hartelijke mensen. Bogota raakt me en maakt iets in me wakker. Eén ding is zeker, twee dagen Bogota is te weinig. Ik heb het gevoel dat ik hier nog geen afscheid heb genomen… Alegria! Aimé CARTAGENA Cartagena heeft waarschijnlijk hetboeienste en meest besproken piratenverleden. Schepen volgeladen met goud uit Peru werden via deze Colombiaanse haven naar Spanje gebracht. Steeds opnieuw werd het aangevallen door piraten, maar Cartagena bleef onaantastbaar en nu kunnen wij aanschouwen wat het verleden heeft nagelaten... “De mooiste stad van de wereld” zei Eduardo, een Mexicaan die we ontmoetten in Leon. Voor mij in ieder geval de mooiste stad dat ik ooit zag. Gisteravond waande ik mij Alice in Disneyland toen we met een open koets het historisch centrum doorkruisten en de koetsier hoorden vertellen wie nu en vroeger de grote koloniale huizen bewonen of bewoonden. Gabriel Carçia Marquez en Julio Iglesias horen bij de huidige bewoners... Hemelsblauw, zeegroen, okergeel en aardekleuren, maar nog tientallen andere variaties sieren de gigantische gevels en over de balkons hangen tropische bloemen. De bijbehorende verlichting maakt het bij avond bijna sprookjesachtig. We verkozen dan ook dit deel van de stad om te verblijven boven het nieuwe deel,dat aan de andere kant van de baai ligt. Keuze is er genoeg. Tientallen peperdure hotels, goedkope hostels en ook veel particulieren verhuren kamers. Wij hebben het geluk om bij een van die gezinnen te vertoeven. Grace... ooit woonde ze 20 jaar in Venezuela, maar keerde een paar jaar geleden met haar zoon David terug naar haar geboortestad. Werk heeft ze niet, maar haar appartementje ligt in de studentenwijk en twee studenten wonen in. Wij huren de derde kamer dat het appartement rijk is en daar moet ze het mee doen. Leven van wat haar woning opbrengt. Na twee dagen weten we dat Grace het hart op de juiste plaats heeft en deze “verhuring” een delen is van haar leven en privacy. Haar studenten verzorgt ze als eigen zonen en ook voor ons is niets teveel gevraagd. Wanneer ze kookt is er altijd wel iets bij voor ons. De eerste nacht was het wel even schrikken toen ik zag dat zijzelf slaapt in de hangmat in de living. Maar wanneer ik haar `s morgens, nog slapend, met een zalige glimlach zie liggen, hoef ik mij niet schuldig te voelen dat wij bezit nemen van haar slaapkamer... Tussen de muur en de zee ligt een drukke baan en het duurt een tijdje voor ik kan oversteken om naar het kleine vissersstrandje te gaan. Het is er een drukke bedoening. Zowel in zee als op het strand liggen kleine vissersbootjes en er zijn zo´n honderd mensen, allemaal zwarten en de meeste van hen zijn mannen. Tussen hen in en op de omliggende rotsen zitten tientallen pelikanen en reigers bewegingloos voor zich uit te staren. Gezien het niet evident is om als blanke vrouw even hun gezelschap op te zoeken, aarzel ik wat om me tussen hen te begeven. Het schilderachtig schouwspel wakkert echter mijn nieuwsgierigheid aan en ik ga op een rots tussen hen zitten en kijk... Mens en dier zijn hier verenigd , wat uit zee zal worden gehaald, zal verdeeld worden. Een paar mannen staan tot hun middel in het water, anderen staan op het strand en nog anderen staan of zitten op de rotsen. Vrouwen zie ik kleine visjes kuisen en een paar kinderen spelen vooraan in de golven. Behalve de pelikaan die net naast me zit en deze mona (blanke vrouw) bekijkt, heeft niemand aandacht voor me... Het is brandend heet en na een tijdje ga ik ook het water in om wat afkoeling te zoeken. Ik krijg direct het gezelschap van Alejandria, een zes jarig meisje en voel me plots geen indringer meer. We spelen wat in het water tot haar moeder haar komt halen. Wanneer ik ook uit het water kom, heb ik wel een probleem. Ik heb geen badpak bij en ging, zoals iedereen hier trouwens, met mijn kleren de zee in. Dus, t-shirt en short, drijfnat... Dat droogt wel in de zon, denk ik en ga terug op mijn plaatsje zitten. Ik zie dat langs beide kanten van me, op ongeveer honderd meter, mannen aan een koord, dat in zee ligt, aan het trekken zijn. Aan ieder koord staan zeven halfnaakte lichamen en systematisch gaat iedere keer de laatst trekkende man terug vooraan aan het koord trekken. Dit kunnen alleen maar visnetten zijn, denk ik en ben uiterst benieuwd wat uit zee zal komen. Het koordtrekken duurt een hele tijd en de twee rijen mannen komen steeds dichter bij elkaar, tot ze uiteindelijk vlak naast me staan, nog steeds trekkend met volle kracht. In zee ligt een bootje dat nu ook heel dicht het strand nadert en ja hoor, daar zie ik het net uit zee komen! Honderden vissen spartelen in het grote net, dat geleegd wordt in het bootje dat nog in het water ligt. Na een tijdje brengen een paar mannen emmers vol vis naar het strand en naar de met manden klaarstaande vrouwen. Het bootje gaat terug de zee in. Alsof ze een bevel kregen, vliegen de pelikanen en reigers met het bootje mee. Wat niet verkocht kan worden gaat terug in zee en de vogels storten zich massaal op wat terug in het water geworpen wordt. De vrouwen met de manden vertrekken naar de markt, waar deze vangst verkocht zal worden en ik, ik vertrek met verbrande schouders en billen... Hasta Luego! Linda ¿MASAJE SEÑOR? ¿MASAJE SEÑOR? 8 mei 2005 Het oude Cartagena heeft geen strand, tenminste als je wat meer wil dan de enkele vierkante meter zand gelegen tussen de drukke ringweg en de zee. Dus, wil je zonnen en zwemmen, dan moet je je heil ergens anders zoeken. Het meest voor de hand liggende is naar het strand van Boca Grande te gaan in het nieuwe Cartagena. Een nieuw Cartagena met hoogbouw, villa’s en eentonige straten. Boca Grande is een schiereiland dat op de kaart, met een beetje fantaisie, de vorm heeft van een zeepaardje dat met zijn staart vastzit aan de oude stad. De wandelpromenade en de straten die er op uitgeven zijn leeg. Het is een weekdag en het toeristenseizoen is nog meer dan anderhalve maand weg. Het strand hebben we bijna voor ons alleen. Enkel een beetje verder zijn er een vijftal jongeren neergestreken waaronder een koppeltje dat later zal proberen het wereldrecord tongzoenen in zee te verpulveren. Een verweerde strandjutter, eigenaar van enkele tentjes, ziet zijn eerste klanten van de dag aankomen en vraagt een schandalig hoge prijs. Of we het tentje nu voor een uur of voor een hele dag wensen te gebruiken doet er niet toe, de prijs blijft hetzelfde, nl. 5000 pesos. Tien minuten later zitten we onder een zeil voor 3000 pesos reklame te maken voor Cerveza Club Colombia. We hebben zicht op de voorbijvarende schepen en de onvermoeibare tongzoeners. Een welbevleesde negerin komt plots van achter het tentdoek. Ze heeft een plastic strandemmertje in de hand met daarin een flacon met een groenachtige vloeistof. Niet wachtend tot ik enigzins van mijn verbazing ben bekomen, vraagt ze me masaje señor? Als het klavier van een piano verschijnt een rij hagelwitte tanden in en lachende mond. Mijn aangezicht verraad blijkbaar mijn reserve en voor ik kan antwoorden heeft ze zich al tot Linda gewend voor wat ze noemt een kleine demonstratie, een voetmassage. Het blijkt effect te hebben want Linda’s ogen draaien alle kanten op. Het eerste slachtoffer is binnen en ongevraagd krijgen haar benen, rug, schouders en tenslotte het hoofd hun beurt. Ondertussen verschijnt er een oudere versie van Julie –want zo heeft ze zich intussen bekendgemaakt- op het toneel. Blijkbaar werd ze door een of andere afgesproken code er op attent gemaakt dat er toch nog een potentieel slachtoffer in de stoel zit. Ze heet Helen en is de moeder van Julie. Haar pianoklavier is minder gaaf en enkele noten kunnen niet worden aangeslagen. Ook mis ik bij haar het decolleté dat ik bij de dochter wel vond. Zij zal zich over mij ontfermen en ik, ik doe mijn ogen dicht en onderga. Met het water in het strandemmertje wordt het aanwezige zand van mijn voeten gespoeld. In het flacon met de groenachtige vloeistof zit een olie die gelijkt op die waar ik mijn stapschoenen mee insmeer, maar dan geparfumeerd. Hier zal ze mij mee insmeren. Ik kijk, quasi ongemerkt, door mijn oogspleten naar wat er zich beneden mij afspeelt, maar Helen heeft het door en lacht me volmondig toe. Ik forceer een grijns. Julie is klaar met Linda en vanaf nu wordt het mooier. Ze zet zich op haar knieën achter me en legt mijn hoofd tussen haar enorme borsten. Mijn blanke kruin tussen die zwarte weelde en geen haar dat in de weg ligt! Op die manier masseert ze mijn hals, aangezicht, schouders en borst. Even heb ik het moeilijk wanneer mijn hormonen mijn fantaisie op hol drijven. Gelukkig kan ik in zulke omstandigheden teruggrijpen naar het nooit falende beeld van mijn eerste schoonmoeder, die mij met berispende rechterwijsvinger steeds terug ter orde roept. Ik zit nog een beetje murw in mijn stoel wanneer Julie met de vriendenprijs op de proppen komt. Een prijs waar ik in Thailand een heel massagesalon voor kan afhuren. De extase van de massage zet zich om in een raar gevoel in mijn buik. Wanneer ze voelt dat het verhaal van de man die haar heeft verlaten en de kinderen die ziek zijn niet aanslaat, bedingen we een prijs waar we uiteindelijk beiden mee tevreden zijn. We gaan terug langs de andere kant van het schiereiland. Daar is het op de stranden heel wat drukker en er lopen dan ook heel wat meer welbevleesde negerinnen met strandemmertje. Achter me wordt er geroepen, masaje señor? Alegria! Aimé Confianza Belgica 10-5-2005 Tien dagen vertoeven we nu al in Cartagena en voor mij blijft het een sprookjesstad. Het weekend en de daaropvolgende feestdag, zorgden ervoor dat alles dicht bleef en de straten er verlaten bij lagen. Een enorm kontrast en verademing. Geen luidruchtige en opdringerige verkopers en harde muziek op straat en geen druk in de weer zijnde studenten. Gisteren slenterde ik een ganse namiddag langs de kleurrijke huizen en pleinen. Gewoon straat in, straat uit, niet wetend waar ik ging uitkomen. Straten die gedurende de week vol kraampjes staan, boden iets nieuws. Dankzij de nalatenschap van de Spanjaarden lijkt Cartagena wel een levend museum. Wanneer zoals gisteren alles dicht is, kan je alle pracht en praal van dichtbij bekijken. Soms bleef ik gewoon met open mond voor een huis staan en bekeek een olijfgroene of okergele gevel met donkerbruine ballustrade, waar dan weer rode, gele of oranje bloemen over hingen. Voor de ramen gesloten luiken, waar ik alleen maar kon raden wat er achter zat… En, ik nam ook al een beetje afscheid… We hebben nog een dag te goed en we staan klaar aan de kade. Wachtend op het bootje dat ons en een twintigtal andere toeristen, allemaal Zuid-Amerikanen, naar Isla Rosario moet brengen. Om acht uur moesten we hier zijn. Om negen uur zien we een motorbootje naderen. Zou het ? Drie jonge zwarten springen van boord op de kade, zonder iets te zeggen tegen de vragende, blanke gezichten. Ze gaan het toeristenbureautje binnen en keren na een vijf-tal minuten terug met een vrouw die een lijst bij de hand heeft. Een lijst met namen en ja, we mogen inschepen. "Djon´ge" roept ze als eerste af. Niemand reageert, ook wij niet. "Djon´ge" blijkt De Jonghe te zijn… Nadat ieders naam afgeroepen is, kunnen we eindelijk vertrekken, met de drie zwarte jongens als begeleiders. Dachten we toch… Tien minuten later, in het midden van de baai van Cartagena valt de motor stil. Na een paar keer motorprutsen, opnieuw vertrekken en opnieuw stilvallen, worden we aan het dichtsbijzijnde strand afgezet. Twee jongens vertrekken alleen met de boot, de derde blijft achter bij ons. Uitleg krijgen we niet en weer staan langs de kade vragende en zuchtende gezichten. De meesten, ook wij, maken van deze gelegenheid gebruik om een eerste zwempartijtje in te lassen. Na een uur keren de jongens terug met een andere boot. Allen terug inschepen en eindelijk richting Isla Rosario. We varen de baai uit naar open zee. Een ruwe zee en het snelvarende bootje vliegt af en toe de lucht in. Vooral vooraan, waar ik zit, heb je af en toe het gevoel van gewichtloosheid. Voor me zit een jonge, goedgevleesde Colombiaanse uit Bogota, luidkeels te roepen, iedere keer wanneer ze met haar achterste van de bank gaat. Het meisje naast haar roept met haar armen in de hoogte mee. Dit lijkt wel een live Aqaulibi, dat echter veel langer duurt dan een vijf minuten durend ritje. Wanneer de motor eindelijk wordt stilgelegd, zien we rondom ons overal kleine eilandjes. Eerst dan stellen de jongens zich voor en geven de nodige uitleg over de omliggende eilandjes. Op de kleinere eilandjes staan prachtige huizen, allemaal prive-eigendommen… Het eiland waar wij voor gekomen zijn, blijkt een paradijs voor koralen en tropische vissen te huisvesten en we mogen kiezen. Ofwel een gesloten aquarium bezoeken op het eiland, ofwel gaan snorkelen voorbij het eiland. De helft stapt uit aan het aquarium. Aime en ik blijven met de andere helft zitten. Wij gaan snorkelen. De boot vaart verder en de motor wordt na een paar minuten al terug stilgelegd. Open zee, geen strand te bespeuren. Rondom het bootje helder water en voor ons een koraalrif waar golven aanspoelen. Snorkelmaskers worden uitgedeeld en de meesten springen direct in het water. Een ouder koppel naast me beslist om te blijven zitten. Een van de jongens ziet dat ik ook aarzel en helpt mij het water in. Hij neemt me mee tot waar een boei ligt. Aan de boei hangt langs weerszijden een touw en hij maant me aan een touw vast te houden, terwijl hij het andere eind in zijn hand houdt. Zo zwemmen we samen weg naar het rif waar de anderen, ook Aime, al aan het snorkelen zijn. De diepte van het water is moeilijk te schatten, we zwemmen immers tussen koralen die verschillen in hoogte. Gelukkig heb ik het touw en af en toe kan ik wat rusten aan de boei. Aime heeft moeilijkheden met zijn masker en wisselt met Jessy, die nog steeds bij me blijft. Na een tijdje ben ik moedig genoeg om het touw los te laten en hand in hand met Jessy zwem ik verder, tot ik uiteindelijk ook zijn hand loslaat… We zwemmen voorbij het rif waar de golven hoger worden en het water dieper. Jessy, die nu onder water zwemt zonder masker, neemt me verder mee tot waar het krioelt van kleurrijke vissen. Gele, oranje, dieppaarse, gestreepte en meerkleurige vissen van verschillende afmetingen, zwemmen rondom ons. Ik voel me zelf een vis in een aqarium, waar ik in zwem dankzij het engelengeduld en hulp van Jessy. Ieder keer wanneer hij ziet dat het me wat te veel wordt, helpt hij mij terug boven water en zegt terwijl hij me stevig vasthoudt " Confianza Belgica ". We zonderen ons steeds verder af van de anderen en ook Aime is nergens meer te bespeuren. Jessy vraagt me of " el hombre sin peruca, mi esposo es " en of ik van " negros" hou… Hier lig ik dan in het water, overgeleverd aan een jonge zwarte, die naar mijn zin iets te handtastelijk wordt. Af en toe moet ik zijn handen verplaatsen naar minder intieme delen van mijn lichaam. Gelukkig heeft hij snel door dat ik wel van "negros" hou, maar niet in de mate die hij zich voorgesteld had. Ik vraag hem om terug te keren naar het bootje, maar hij neemt me steeds verder mee. Niet paniekeren is nu de boodschap. Wanneer ik echter een diepte zie van meerdere tientallen meters, paniekeer ik plots wel en begin wild met mijn armen te slaan. Terug neemt hij me stevig vast, trekt me rond zijn middel en zegt steeds maar " Confianza Belgica ". Dit lijkt wel een examenles in vertrouwen en dat is wat ik ook doe… Vertrouwen hebben dat me niets kan overkomen, noch door de zee, noch door deze knappe, jonge neger. Wanneer we toch uiteindelijk terug zwemmen is het tegen de stroming in en ik geraak geen meter voorruit. Jessy neemt mijn hand en zo zwemmen we terug naar het rif, waar ik nog getrakteerd word op een hoge golf die me helemaal onderdompelt. " Confianza Belgica " zeg ik tegen mezelf… Uitgelaten en blij ben ik wanneer ik uitgeput het bootje bereik, waar iedereen al in zit en op ons aan het wachten is. We varen verder naar " Playa Blanca". Ja, de naam verraadt al wat ik te zien krijg. Een parelwit zandstrand, hoge palmbomen en een blauw-groene heldere zee. Jessy houdt de rest van de dag een oogje in het zeil of hij " Belgica" ergens mee van dienst kan zijn. Ik word verwend… Alegria Linda HET KILLE QUITO 16 mei 2005 Het is koud op de patio van het Krishnahuis. Een donder-, bliksem- en regenvlaag trok een half uur geleden over de stad en zette de zon achter dikke grijze sponswolken. Na het middagmaal in Govinda’s Garden, klaargemaakt volgens de regels van de vedische kookkunst, heb ik mij hier neergezet en heb er de rust gevonden die ik hoopte te vinden. Een rust die het drukke stadsleven aan de voordeur laat en mij de nodige stilte schenkt om te schrijven. Op woensdag 11 mei laatst streken we hier neer vanuit Cartagena, na een vlucht die twee uur duurde maar er twaalf in beslag nam. Vertraging in Cartagena zorgde ervoor dat de verbinding in Bogota met de vlucht naar Quito, gemist werd en dat we vier uur konden opvullen met window-shopping in de tax-free afdeling van het luchthavengebouw. Toen we in Quito onze rugzakken van de lopende band haalden was het 23.15 u. en het was drie kwartier later dat een behulpzame taxichauffeur ons afzette voor het hotel. Een halfslapende nachtwaker die met beide handen zijn broek ophield, leidde ons op kousevoeten naar onze kamer. Hotel Internacional ligt aan het Plaza del Teatro en van op de tweede verdieping hebben we gedurende de dag zicht op het drukke theaterplein en ‘s nachts zitten we op de eerste rij om te genieten van het sfeervol verlichte theatergebouw. Beneden ons rijdt de trolleybus, hier gewoon trole genoemd. Zij heeft een aparte rijbaan en verbindt op een snelle manier de oude met de nieuwe stad. Een claxon heeft ze niet maar in de plaats daarvan speelt ze constant het kerstdeuntje Rudolf the rednoose rendeer. Voor de eerste maal om vijf uur ‘s ochtends en voor de laatste maal omtrent middernacht horen we Rudolf onder onze slaapkamer voorbijtrekken. We hebben ons onderkomen in de oude stad, in het historische centrum met de belangrijkste bezienswaardigheden en gebouwen. Het patrimonium bestaat zoals in zoveel Latijns-Amerikaanse steden, vooral uit kathedralen, kerken en conventen maar vooral hier voel ik de zwaarte en de drukkende ernst van het conservatieve Roomse katholicisme. Het oude Quito wordt ook doorgroefd met diepe rimpels, rimpels van berookte en overdrukke straten. De stad, hoewel ze slecht op enkele kilometer van de evenaar ligt, gaat een beetje krom van de ijle koelte die hier op 2.850 m. hoogte tussen de Andesruggen blijft hangen. Het nieuwe Quito, is gewoon, nieuw. Kantoorgebouwen, hotels, shoppingcenters en een residentieel gedeelte waar de ambassades, o.a. de Belgische zijn gevestigd. Het nieuwe Quito leeft enkel gedurende de dag. ‘s Avonds is het hier op enkele drukbezochte cinemacomplexen met bijhorende fastfoodrestaurants na, griezelig doods en stil. Ecuador werd onlangs opgezadeld met een nieuwe president. Hij houdt verblijf in de hoofdstad. De meeste presidenten doen dat trouwens. Wanneer we de Gran Plaza opwandelen, staan op de gaanderij van het presidentiële paleis marjonetsoldaten een nummertje aflossing van de wacht op te voeren. Beneden hen wapperen rode vlaggen en skanderen mensen voor mij onverstaanbare leuzen. Wat wel duidelijk is, is dat ze niet tevreden zijn. Waterkanonnen en interventie eskadrons laten nog begaan. Politiehonden draaien nerveus rond hun leiband. Een uur later is alles terug koel in het kille Quito. Alegria! Aimé CAPITAL DEL CIELO (Hoofstad van de hemel) 22 mei 2005 Zes uur in de ochtend en nog aardedonker. De nachtbus waar we negen uur eerder opstapten in Quito heeft ons afgezet in het nog slapende centrum van Puerto Lopez. Een motortaxi die ons het dubbele van de prijs rekent, brengt ons verder naar Hostal Itapoa, waar we Maria, la bonita Braziliana, uit haar bed bellen. De rugzakken zetten we in een hoek van de kamer en we gaan nog enkele uren onder zeil. De slaapzetels van de autobus en de toestand van de wegen waren niet in die mate comfortabel dat we van een zalige nachtrust konden genieten. In vele landen van Latijns Amerika, ook in Ecudaor, heeft men het fenomeen verkeersdrempel ontdekt en deze ontdekking wordt te pas en te onpas toegepast. Dus telkens wanneer de autobus diende af te remmen voor een betonnen obstakel, schoof ik een eind van mijn slaapstoel naar voor en wanneer hij vervolgens over de drempel reed ging ik een stuk de hoogte in. Daarna terug je slaaphouding vinden duurt even en in je onderbewuste ben je je al aan het voorbereiden op de volgende drempel. Puerto Lopez, nog steeds Ecuador, ligt met zijn baai aan de Pacific. Het is dank zij deze baai dat de onstuimige golven het grootste deel van hun kracht verliezen en vrij mat op het strand aanspoelen. De oceaan, het strand en de omringende rotskust zijn mooi, het stadje zelf is het niet. Maanden heeft het hier al niet meer geregend en de straten, voor het merendeel onverhard, zijn bedekt met een dikke laag stof en zand. Voorbijrijdende trucks en autobussen zorgen er voor dat de hoofdstraat in een constante stofnevel gehuld blijft. Toch hebben de uitbaters van de restaurantjes tafels en stoelen op hun terras langs de straat gezet. Klanten trekken ze echter niet en de spijskaarten blijven onaangeroerd onder een grijs laagje op de tafels liggen. Puerto Lopez is een stadje dat zijn best doet om in leven te blijven, maar er amper in slaagt. Van de plaatselijke supermarkt zijn de rolluiken al sinds enkele maanden blijvend naar beneden en ook vele kleine middenstanders slagen er niet in om hun zaak overeind te houden. Aan de uithangborden en op de opschriften tegen de gevel weet men wat hier ooit geweest is. Vele van de gebouwen hier zijn onafgewerkt, enkel het gelijkvloers is bewoond. In de bovenverdieping gapen zwarte gaten waar ramen horen te zitten en hoger grijpen de verroeste sprieten van het betonijzer in het ijle, wachtend op een bijkomende verdieping die er nooit komen zal. Al meer dan een half jaar zit het stadje zonder waterleiding. Op een bepaald moment begaven de pompen het, en dat was het. Ondanks talloze beloften van de overheid omtrent de nodige herstellingen, gebeurt er niets. Drinkwaterbedeling gaat met tankwagens. De prijzen zijn schandalig hoog en voor velen onbetaalbaar. Daarbij komt nog dat dit drinkwater niet drinkbaar is zonder koken en men toch nog genoodzaakt is flessenwater aan te kopen. En de inwoners hier, zij ondergaan, wachten af en kijken lijdzaam toe, in de hoop dat het ooit wel eens… De visserij doet het wel goed. Iedere morgen landen de kleine bootjes hier vlakbij op het strand. Zij komen uit de volle zee waar ze zich bij de grote vissersboten zijn gaan bevoorraden. Ze bulken uit van de vis. Donkergrijze haaien, zwaardvissen, zilveren tonijnen, dorade en talloze andere soorten waarvan ik de onverstaanbare Spaanse benaming maar één maal aan de vissers durf te vragen. Vrachtwagens wachten op het strand om daarna wanneer ze zijn volgeladen te vertrekken richting binnenland. De volgende morgen zullen op de plaatselijke markten de vissen met in het niets starende ogen en gapende monden, liggen te wachten op een koper. Onafscheidelijk verbonden met de vissers zijn de honderden pelikanen en fregatvogels. Rondtollend op geringe hoogte wachten ze zwevend tot de onverkoopbare resten van de vangst en de visdafval terug in zee worden gegooid. Wat dan volgt is een onvergetelijk schouwspel van duikende en met elkaar vechtende fregatvogels. Met hun kromme snavels haken ze de vis vast om hem dan zo snel mogelijk naar binnen te werken, zoniet wordt de buit door soortgenoten gewoon uit de bek getrokken. De pelikanen logger en minder behendig, worden gedwongen om dobberend op het water, zich tevreden te stellen met dat wat de fregatvogels achterlaten, hoewel…verder op het strand staat een rode bestelwagen met open laadbak. Hij vervoert visafval, of wat er nog van zal overblijven, want op de rand van de laadbak zitten, netjes op een rij de pelikanen hun kwabbige keelzak vol te steken met viskoppen en –staarten. Het weer blijft somber vandaag. Dikke grijze wolken maken het voor de zon onmogelijk om door te breken. Enkel bij valavond klaart het en beetje op zodat een feloranje zon er toch nog in slaagt de vervallen promenade van Puerto Lopez wat bij te kleuren. Aan de stoeprand staat een defecte vrachtwagen. Op de flanken heeft men dolfijnen en walvissen geschilderd en er onder prijkt in fiere letters: Puerto Lopez, Capital de Cielo… Alegria! Aimé MONTAÑITA, SURFERSSPOT IN ECUADOR 25 mei 2005 Na vijf dagen zee en stof in Puerto Lopez, zijn we sinds gisteren ondergedompeld in de wereld van beach boys, bikini girls en een stuk hippiecultuur. Het leeft hier in het kleine Montañita. De enkele straten die het dorp rijk is, bulken uit van de hotels, hostals en hosterias. Ieder die hier woont en een kamer vrij heeft, hangt een bord aan zijn voorgevel, schildert er een walvis, pelikaan of surfplank op en noemt zijn keet vanaf dan hostal met habitaciones libre. Wanneer de zaak draait en het aantal kamers ontoereikend wordt, dan bouwt men er gewoon bij. Indien het niet kan achteraan, vooraan of opzij van het huis, dan zet men gewoon een kamer op het dak. Bamboe groeit hier als gras en een half dagje kappen volstaat om er een kamer uit te fabriceren. De dikke stammen zorgen voor de constructie en de dunne voor de afwerking. Muggengaas voor de ramen en wat palmbladeren op het dak en klaar is kees. Vanaf dan kan de milieubewuste toerist ook nog slapen in een habitacion ecologico. Vanaf het balkon van het hostal Tiki Limbo, waar ik lui in een hangmat lig te schrijven, heb ik een weids uitzicht over het horecagebeuren in Montañita. Bamboehotels met palmdaken, bars met reaggaemuziek en toppers uit de sixties, fruitstalletjes, sappenbars en straatventers met ijsjes en frisdrank. De geur van gebakken vis, uien en knoflook strijkt langs mijn neusgaten en doet me honger krijgen. Op het terras van het hotel hiertegenover speelt een koppeltje scrabbel. Het is geen strandweer vandaag en de bruingebrande lijven lopen nu in t-shirt of sweater. Morgen wordt het vroeg opstaan. Om 5 u. nemen we de ochtendbus, el directo, naar Guayaquil en verder naar Cuenca. Na het luchtige surfersgebeuren terug naar een wereld van cultuur en Incaverleden. Zo komt Peru ook dichter en Cusco en Macchu Picu en het Titicacameer. Het schiet op... Alegria! Aimé CUENCA OP HAAR BEST 30 mei 2005 De bus wringt zich kreunend door de hooglanden van de Andes. De natuur is hier ruw en van een ongerepte schoonheid. Bomen en planten zijn schaars en enkel de ruige stekelige grassen tussen de rotsen overleven. Koeien zijn al lang beneden gebleven. Alleen geiten en schapen vinden hier wat naar hun gading. Vanuit tientallen kleine meertjes ontsnappen kristalheldere bergbeekjes, die zich uitgelaten en speels laten neerdonderen in een lange een reeks watervalletjes. Lager hebben de speelse beekjes hun puberteit bereikt en worden ze ruige snelstromende rivieren die zich over rotsen en tussen kloven een weg banen naar een voor hen onbekende bestemming. Aan hun oever verschijnen, in ruwe stammen opgetrokken, blokhut-restaurantjes. Allen hebben ze trucha op hun kaart, verse bergforel. De rivier zonder naam wordt de Tomebamba en komt samen met de autobus in Cuenca aan. Na de warme stranden van Montañita is het hier weer even aanpassen. De trui kriebelt onbehaaglijk. Het zit ons mee want Cuenca, de grootste stad in de zuidelijke hooglanden van Ecuador viert feest, zes dagen lang. Het is het feest van Corpus Cristi, een katholiek feest dat met de jaren werd omgebouwd tot een volks straatfeest. Zes dagen lang wordt er muziek gemaakt, vuurwerk afgeschoten en castillos in brand gestoken. Zes dagen lang worden de vier zijden van de Gran Plaza en de aanpalende straten volgezet met kraampjes waar snoep in bergen wordt opgetast. Een praatgrage autochtoon vertelt dat deze overdaad aan snoep symbool staat voor de zoetheid van het corpus van Christus. Hoe men religie kan aanpassen zodanig dat de tandartsen er ook hun voordeel bij halen…De smalle passages tussen de kraampjes staan zwart van het volk en iedere kooplustige krijgt een mandje in de handen gestopt, samen met een metalen tang waarmee de snoep van de schalen kan worden gevist. Geen armoe hier, we voelen ons zelfs een beetje verlegen wanneer we maar één cocosbal met chocolade en niet een hele mand vol in een draagtasje laten kieperen. Bewonderend blijven we kijken naar de kleine warmeluchtballonnetjes die met tientallen de lucht worden ingelaten. Allen worden ze naar boven gestuurd met een boodschap. "Gezondheidszorg voor allen", "voor een Ecuador met meer gerechtigheid" en "voor betere leefomstandigheden". Een enkele komt al eens brandend terug naar beneden. Niet alle wensen worden in dank afgenomen… Cuenca is ook een stad van virussen. Zij hebben de inhoud van mijn memorystick opgevreten. Gelukkig heb ik kopijen van de reisverhalen naar mijn eigen e-mail gestuurd… Alegria! Aimé INGAPIRCA 30 mei 2005 Vandaag waren we in Ingapirca, een Inca site, de enige trouwens in Ecuador en een vijftigtal kilometer verder ten noorden van de hoofdstad Quito. Volgens onze reisgids niet te vergelijken met de Inca site Macchu Picu in Peru. Wat een geluk, want buiten enkele funderingen en een stuk van de gerestaureerde zonnetempel was er niets archeologisch bezienswaardig. De enigen die er wat aan hadden waren de kinderen op schoolreis die de muurtjes en hoekjes benutten om verstoppertje te spelen. De omgeving maakte echter veel goed. De bergruggen van de Andes, dooraderd met beekjes, rivieren en watervallen, de wolken die zich tussen de toppen nestelen en voor het eerst tijdens deze reis, lama’s. Op vier poten wel te verstaan en geen met kaalgeschoren kruin. Beneden aan de voet van de site die uitkijkt over het dorp met dezelfde naam, Ingapirca, staan ze te grazen, bruine en zwarte. Aan het kraampje met souvenirs en ambachtelijke spullen probeerde ik een poncho aan de haak te slaan voor acht usd. De vrouw vroeg er tien en bleef onverwurmbaar. ....het bovenlijf zelfgebreide truien in de meest onmogelijke en schreeuwlelijkste kleuren, gaande van fuchsia tot fluo groen. De rok deed me denken aan de lampekap die mijn grootmoeder destijds op haar dressoir had staan. Daarbij was hij iets te lang om een tutu te worden genoemd en net te kort om de knieen te bedekken. En ja, dan de benen…die waren gehuld in, eveneens zelfgebreide, voetbalkousen die de tot net boven de knie werden opgetrokken. Voor mij in het gangpad van de autobus buigt een vrouw voorover om haar draagtas te pakken. Boven haar voetbalkousen zie ik haar melkwitte billen. Aan de kust was het anders… Alegria! Aimé
Vilcabamba en de Mandango legende Zondag 5 juni 2005, 10 uur, de Mandango Berg… De folder van de hostal Izhcayluma deed ons beslissen om voor we naar Peru gaan, deze “Longevity” vallei te bezoeken. “Longevity” betekent “lang leven” en deze streek in Zuid Ecuador heeft dan ook heel wat inwoners die 100 jaar worden en meer zelfs. In de officina del turismo hangen fotos van alle inwoners die ouder zijn, of werden dan 90 jaar. En dat zijn er heel wat. Breedglimlachende oudjes, al of niet leunend op een stok en met of zonder tanden. Het klimaat tussen de ruggen van de Andes, waar Vilcabamba zich bevindt, is uniek. Subtropisch, wat wil zeggen dat het weer nogal stabiel is. Met uitzondering van het regenseizoen, van november tot april, blijft het zonnig en droog. Vijftig kilometer verder, in de provinciehoofdstad Loja, is het nat en 10 graden kouder. De reklamefolders spreken dan ook van “the best place to relax”, “feel the peace and tranquility of this unique and magical valley”, of, zoals een toeriste uit Engeland in haar Vilcabamba gedicht schreef, “it’s a painters paradise and a writers retreat…” Na vijf dagen weten we dat er geen woord overdreven is. We kozen echter niet voor die hostel met moeilijke naam, maar voor de hostal “Le Rendez-Vous”. De uitbaters zijn twee jonge Fransen, die op dit ogenblik in Frankrijk vertoeven. Hun spiksplinternieuwe hostal wordt nu verzorgd door Jose en Patricia, twee Ecuadorianen, die zowel de hostal als de toeristen in de watten leggen. Bij de 8$ per persoon, is een lekker ontbijt inbegrepen en dat wordt ons geserveerd aan een tafeltje op het terras, voor de deur van onze kamer. Voor ons ligt een prachtige tuin met in het midden een grote avocadoboom. Bij het ontbijt krijgen we van Jose leuke en “pittige” Vilcabamba verhalen te horen, uit heden en verleden. Deze morgen vertelde hij ons de legende van de Mandango Berg, in de Heilige Vallei van Vilcabamba. De vallei, al eeuwen lang Heilig voor de Indianen, bleef haar naam in Quechataal behouden. “Vilca” komt van “Wilco”, de Heilige boom van de Incas en hun voorouders. “Bamba” of “Pampa” betekent “Vallei”, vandaar… Vlak voor Francisco Pizarro, de Spaanse conquistador, Ecuador en Peru veroverde, waren er twee Inca Koningen, die halfbroers waren. Huascar, zoon van een Peruviaanse prinses en Atahualpa, zoon van een Ecuadoriaanse prinses. Toen hun vader, de grote Inca Koning Huayna Capac, in 1526 stierf, had hij zijn Rijk verdeeld tussen zijn zonen. Huascar regeerde over Cuzco en Atahualpa regeerde over Quito. Beiden wilden echter een alleenheerschappij en toen Pizarro voet aan land zette in 1532, had Atahualpa tijdens een burgeroorlog Huascar verslagen. Pizarro nam Atahualpa gevangen en deze beloofde de conquistador een kamer vol goud voor zijn vrijlating. En zo begon de legende… Duizenden Indianen brachtten ezels volgeladen met goud uit Peru, doorheen Zuid Ecuador naar Quito. Pizarro vermoordde echter Atahualpa voor al het goud ter bestemming aankwam. Toen de Indianen van de moord op hun Inca Koning hoorden, verborgen ze een groot deel van het goud in de Vilcabamba Vallei. Ze zouden op vier bergflanken, waaronder de Mandango, een gezicht uitgehouwen hebben. De vier gezichten keken naar een verborgen punt, ergens in de jungle. Daar zou de schat verborgen zijn… Vele goudzoekers gingen in de loop der eeuwen op zoek en de tekens zijn weggekapt en zelfs tot ontploffing gebracht. De aanwijzingen zijn verdwenen en diegenen die het goud verborgen, hebben hun geheim meegenomen naar hun Goden in de eeuwigheid. En de legende gaat verder… Toen Pizarro hoorde dat een deel van de goudschat hem ontglipte, liet hij in een vlaag van woede, vele Indianen vermoorden. Voor ze echter Vilcabamba konden veroveren, gingen de overlevende Incas de Mandango Berg op en pleegden massaal zelfmoord door zich van de bergtop in de ravijn te storten. Een andere bron vertelt dat ze tunnels graafden doorheen de berg en zo konden vluchten voor de bloeddorstige Spanjaarden. Op een dag stappen van het dorp van Vilcabamba, liggen de ruines van Quinara, een Inca stad, waarvan zo goed als niets is overgebleven. Vele begoede en minderbegoede Ecuadorianen hebben stukjes land gekocht in de hoop van ooit de schat te vinden op hun eigendom. Tot op de dag van vandaag is er slechts één landeigenaar die twee grote blokken goud vond en verdween met de noorderzon. De legende leeft echter verder… Vandaag staan we klaar aan de Mandango House om deze legendarische berg te beklimmen. Wanneer je de berg van beneden af bekijkt, lijkt hij op een kathedraal. Op twee bergtoppen staat een een kruis. Het is een uitdaging om van het ene kruis naar het andere te gaan, maar wij stellen ons tevreden wanneer we het eerste kruis bereiken. We betalen elk 1,5$ en via de achtertuin van het huis worden we naar de voet van de berg geleid. Het meisje dat ons de weg toont vezekert ons dat het slechts 1 uur klimmen is tot het eerste kruis. Wanneer ik naar boven kijk heb ik zo wat mijn twijfels, maar goed, onze klim kan beginnen… Het eerste stuk is ruw, stijl en onstabiel door de vele losliggende keien. Het volgende stuk is aangenamer. We lopen door een stuk bos dat veel vlakker is en waar koeien, ezels, vlinders en libellen ons vergezellen op ons pad. Daarna is het terug ruw en steil, zeer steil, en de top is nog veraf… Moeizaam gaan we verder tot Aime beslist dat het goed geweest is. Er waait een sterke wind en naast het smalle kronkelpad, gaapt een diepe ravijn naar beneden. Boven ons staat uitdagend een kruis… Het zal niet voor vandaag zijn en wanneer ik aan de krijgers van Atahualpa denk die zich hier zouden naar beneden gestort hebben, ben ik blij dat ik terug naar beneden mag. De afdaling valt echter niet mee, vooral voor mij niet. Ik verwissel mijn voeten voor mijn achterwerk en hoop dat zowel ik, als mijn broek, heelhuids beneden komen… Plots zien we twee klimmers, een man en een vrouw. We blijven zitten tot ze bij ons zijn en genieten terwijl van het prachtige zicht die we hebben op het dorp van Vilcabamba, de bergen en valleien. We zeggen elkaar goeiedag en stellen de gebruikelijk vraag “where are you from…?” De man zegt “we are from Belgium”. Aime en ik kijken elkaar aan, lachen en zeggen “please to meet you, we are also from Belgium!” Dirk en Conny uit Kortrijk, op vakantie in Ecuador. Vijf minuten later zitten we op de flank van de berg gezellig te kletsen, terwijl het sap van de ananas, die Dirk in zijn rugzak meezeulde, van onze kinnen druipt… Dirk en Conny bereiken wel de top en z waaien ons triomfantelijk toe, terwijl wij verder afdalen… Terug beneden bekomen we op een terrasje op het dorpsplein met een kop koffie en overschouwen vijf dagen Vilcabamba. Normaal gezien zouden we morgen vertrekken. Een ontmoeting de dag ervoor zorgt echter dat onze plannen nogmaals gewijzigd worden… Wordt vervolgd… Linda VILCABAMBA, RUMI WILCO EN THE UPPER HOUSE Dinsdag 7 juni 2005… 10u30… We nemen een beetje afscheid van Jose en Patricia en “Le Rendez-Vous”. Jose verzekert ons dat we iedere morgen welkom zijn voor het “Rendez-Vous” ontbijt. De normale prijs van 2$ per persoon, reduceert hij voor ons naar de helft. “Because I like your company” zegt hij heel bescheiden. Wij hielden ook van zijn gezelschap en beloven hem dat we volgende zondag van de partij zullen zijn voor een ontbijt en een van zijn verhalen… Vandaag verhuizen we van “Le Rendez-Vous” naar “Rumi Wilco” een Eco-Lodge. Ik haal even diep adem voor ik mijn rugzak (waar nog altijd veel te veel inzit en veel te zwaar weegt) op mijn rug zwier. Vanuit het dorp is het vijftien minuten stappen. We dalen af naar de rivier waar het natuurgebied zich bevindt. De brug die we moeten oversteken is zes jaar geleden bij de El Nino regens ingestort en ligt nu op haar zij. Het moet een raar zicht zijn mij deze brug te zien oversteken. Ik heb immers ook nog mijn handen vol met proviand voor de komende dagen. Toen we vorige zaterdag kennis maakten met Alicia en Orlando, de oprichters van Rumi Wilco, moesten we niet lang nadenken om dat wat Rumi Wilco aanbiedt, te ervaren. Twee weken zullen we hier verblijven en vier uur per dag gaan we ons nuttig maken door vrijwilligerswerk te doen. We krijgen een uitgebreide rondleiding van Orlando. Orlando Falco, 55 jaar en 30 jaar gids in Zuid Amerika, waaronder vele jaren op de Galapagos. De Galapagos die wij jammer genoeg niet zullen gezien hebben… Zeventien jaar geleden leerde hij Alicia kennen die toen al meer dan tien jaar heimelijk verliefd was op de knappe gids. Ze kende hem echter alleen van foto´s en uit de verhalen van Orlando´s broer, die haar beste vriend was. Toen die broer uiteindelijk een ontmoeting regelde tussen beiden, was Alicia 27 jaar en net afgestudeerd als biologe. Ook Orlando is bioloog en niet alleen deze vonk sloeg over… Een jaar later werkten beiden als gids op de Galapagos en waren ze getrouwd. Orlando had toen ook al zijn stek hier in Vilcabamba. Oorspronkelijk zijn beiden uit Argentinië, maar ze besloten om hun verdere leven in Ecuador door te brengen en toen Alicia zwanger werd kozen ze voor Vilcabamba om hun gezin verder uit te breiden. Melissa, 13 en Lucas en Omar, respectievelijk 11 en 10 jaar, zijn hun drie prachtige kinderen, die misschien ooit in de voetsporen van vader en moeder zullen treden. Voetsporen gezet in eenheid met de natuur, waarbij ze er onvermoeid blijven voor zorgen om het ecologisch evenwicht in deze vallei te bewaren. Dankzij hen werd de Wilco, weet je nog de Heilige boom van de Inca´s, van de ondergang gered. Ecuador is nl. voor 90% ontbost… Sinds drie jaar combineren ze hun levenstaak ook met eco-toerisme. Ons werk zal voornamelijk bestaan uit koffie plukken, maar ook confituur maken staat voor mij op het programma. Aime mag zich ook nog sociaal opstellen en hun artisanaat verkopen in het winkeltje op de Plaza. Toen Alicia ons vorige zaterdag rondleidde konden we kiezen uit twee adobe complexen om te verblijven. Acht kamers beneden aan de rivier en vier kamers die tachtig meter hoger liggen. Ik was zeer verbaasd toen ik de vier bovenkamers zag. In iedere kamer hing een papyrus uit Egypte en Alicia noemde deze verblijfplaats heel intuitief “The Upper House” zonder te weten dat in het verleden het spirituele Egypte, “Upper Egypt” genoemd werd. Voor mij op deze reis terug een stukje Egypte… De tien minuten durende steile klim er naar toe, deed ons echter beslissen om beneden te verblijven. Onze vertrekken bestaan uit twee kamers. Een zithoek en uiteraard een slaapkamer met een klein salonnetje. Op een van de muren in de slaapkamer werd ooit door een toeriste een grote volle maan geschilderd op een blauwe achtergrond en in die maan zweven twee onbekende figuren… Voor het huisje een groot terras. Vanop het terras en vanuit het venster in de slaapkamer hebben we zicht op de Mandango berg, die in al zijn glorie voor ons ligt. We zien het hier zitten… Wordt vervolgd… Linda Vilcabamba en Rumi Wilco Dinsdag 21 juni 2005... Weken zijn we nu te gast bij de familie Falco in hun Rumi Wilco en we voelen er ons al goed thuis. Een reden om er nog een weekje bij te doen. Ik ben ook al goeie maatjes met de spinnen die overal in en rond het huis hun plekje hebben. Wanneer er echter ongevraagd schorpioenen op bezoek komen is dat net iets te veel. Die worden netjes terug buiten gezet... Ondertussen ben ik een ervaren koffieplukster en sorteerster aan het worden. Het sorteren gebeurt binnen in het Falco huis, waar ik, terwijl ik de goeie boontjes van de slechte selecteer, gezellige babbels heb met Alicia. Alicia, die zelden iemand in haar huis heeft waar ze zoveel intieme verhalen aan kwijt kan, zegt ze zelf. Meer en meer staan Aime en ik in bewondering voor hetgeen deze mensen hier presteren. De productie en bewerking van koffie alleen al is een hele klus. De koffieplanten zijn aangeplant in de schaduw van bananen-, papaya-, passievrucht- en sinaasappelbomen, bamboes, Wilco´s en andere bomen. Vandaar de naam “Organic Shaded Coffee”. Wanneer men koffie op deze manier teelt blijft het ecologisch evenwicht bewaard, daar men niet ingrijpt in de natuur. Vooral voor slangen is deze omgeving een waar paradijs. Om onaangename confrontaties te vermijden is het raadzaam om de plant eerst op de aanwezigheid van deze diertjes te controleren voor men aan het plukken begint. Neen, tot nu was het enkel het koord van de opvangpot waar de bonen in gedropt worden, dat rond mijn nek hing. Om te weten hoe ze er uit zien luister ik naar de enthousiaste beschrijving van Lucas en Omar, wanneer ze er een ontmoeten op hun dagelijkse ontdekkingstochten. Zij hebben blijkbaar meer geluk... Daarnaast krijgen de voortuintjes van de gastenkamers van mij een grote schoonmaakbeurt. Ideaal om aan de weet te komen wat nu kruid of onkruid is.| Er staat heel wat in Rumi Wilco. Munt, tijm, lemongrass, eucalyptus, echinacea en Aloe Vera zijn de meest gekende, maar daarnaast vind je voor zowat alle kwaaltjes wel een middel. Dit is een garden of Eden voor de herboristen onder jullie... Ik geniet dan ook zowel tijdens de werkuren als in onze vrije tijd. Vrije tijd waarin we op ontdekking gaan in Rumi Wilco. Er zijn verschillende wandeltrails die Orlando heeft aangelegd in deze oase van groene heuvels. Langsheen deze wandelroutes staan tientallen verschillende planten, bloemen en bomen, waaronder vijgebomen, ceiba´s, mispelaars, orchideen, passieflora, trompetbloemen, yuca´s, agave en de alom bekende San Pedro cactus. San Pedro is beroemd in Vilcabamba, of liever, berucht. Eind jaren tachtig kwamen vele toeristen, vooral Israeliers en Amerikanen afgezakt naar Vilcabamba om zich in een roes te dompelen die de mescaline in de plant veroorzaakt. Dit kwam echter tot een einde toen een jonge Amerikaanse zich naakt in de kerk begaf... Nu staan celstraffen op het gebruik van deze geestverruimende sappen. Dat belet echter niet dat Sjamanen deze plant nog gebruiken om zich naar hogere sferen te laten voeren. Felicia, een Oostenrijkse vrouw die zich gesseteld heeft in Vilcabamba, voert nachtelijke ceremonies uit, waarbij ze deze “medicinale” drank aan haar gasten schenkt, zodat ze “hogere” zintuiglijke waarnemingen zouden hebben die hen dichter bij God brengt. Ik, ik ervaar, ik geniet en ik beleef zonder San Pedro... Alegria! Linda orlando en zonen VILCABAMBA, EEN LOCAL STORY… 18/6/2005 Gardin Escondido, de verborgen tuin, een hostal met Mexicaanse uitbater, wordt omheind door een blauw met geel geschilderde muur. Achter die muur ligt inderdaad een verborgen tuin. Tafeltjes en stoelen in smeedwerk staan onder palm- en bananenbomen en tussen vurige hibiscusstruiken. De postre del dia was er vandaag niet en ik bestel een cocosgebakje met rozijnen, het enige wat wel voorhanden is. Die koffie die ik er bij vraag is koud. Las Ruinas de Quinara heeft een uithangbord is drie talen, spaans, engels en hebreeuws. De uitbater Mauricio wil ook onderdak bieden aan het uitverkoren volk maar veel toeloop is er niet, ook al ronselt hij de backpackers bij de busterminal aan het andere eind van het dorp. Wanneer hij uit zijn pick-up stapt en het busje uit Loja opwacht, zie ik dat hij mank gaat, hetgeen bevestigt wat José, de gerant van hostal Le Rendez-Vous (franse uitbaters) me vertelde… Op een dag, wanneer precies moet ik u onthouden, logeerde er een gringa het het hostal van Mauricio. Ze was alleen. Na zich een avond en nacht te hebben ondergedompeld in het weinig betekenende nachtleven van Vilcabamba, was de gringa in vrij bedwelmde toestand toch in haar kamer en vervolgens in haar bed terecht gekomen. Dit gebeuren was Mauricio niet ontgaan en profiterend van de getemperde alertheid van de gringa wurmde hij zich wellustig mede tussen de lakens. De aard en het temperament van zijn minnespel moet bij de gringa vrij ontnuchterend hebben gewerkt want plots kwam ze tot besef dat het niet de man was die haar gewoonlijk betastte die naast haar lag. Haar getier en geschop dreef Mauricio de kamer uit en het laatste wat hij te horen kreeg was dat zij haar vriend, die op dat moment in een andere stad verbleef, op de hoogte zou brengen van de verregaande handtastelijkheden van Mauricio. Alzo geschiedde. In plaats echter dat de vriend in een eerste impuls van vergelding een ganse knokploeg optrommelde om Mauricio levenslang impotent te maken, legde hij het veel subtieler aan boord. Ergens in Ecuador, de plaats moet ik u eveneens onthouden, trok de vriend de Andes in en aldaar raadpleegde hij een sjamaan van wie bekend was dat hij op goede voet stond met de duistere wereld van de wraakgodinnen. Tegen betaling wilde de sjamaan zijn relaties wel even aanspreken en er voor zorgen dat de nog resterende levensdagen van Mauricio behoorlijk zouden worden ingekort. Er werd een doodsvloek over hem uitgesproken… De nonnetjes van het kleine hospitaal van Vilcabamba lagen in een diepe slaap, toen hun kuise nachtrust werd verstoord door een hevige knal vlakbij. Na zich in alle haast te hebben aangekleed, spoedden ze zich in wapperende witheid naar buiten, naar de plaats waar de knal als het ware nog nazinderde. Een tot harmonica opgeplooide pick-up kleefde tegen de ziekenhuismuur. Het bewusteloze lichaam van Mauricio zat bloedend achter het stuur. Mauricio loopt nog rond in het rijk der levenden, weliswaar mankend. De doodsvloek is hem bespaard en of met de knal ook zijn libodo tegen de muur is blijven hangen weten enkel Mauricio en…de wraakgodinnen. Alegria! Aimé Boeken in de woestijn... 28 juli 2005 Aan het tafeltje naast me...Hollanders. Overduidelijke Hollanders. Luidsprakerig en uitvoerig vertellend over hun reiservaringen. Wanneer ze Cusco op z’n Hollands uitspreken klinkt het heel vreemd. De gezelligheid en historische waarde van de stad zijn er zo af en wanneer ze het over de Machu Picchu hebben lijkt het alsof ze Disneyland hebben bezocht. Ze vinden hun uitlaatklep bij een stel Belgen, Gentenaars. Deze zijn blijkbaar nog maar juist in Peru aangeland en luisteren maar al te gretig naar wat de Hollanders uitkramen. In Huacachina, een oase in de woestijn nabij het stadje Ica, viert men voor de tweede dag de Fiesta de la Patria. De promenade is druk bevolkt met kuierende mensen. Autochtonen en gringo’s. De ochtendkoude is nu stilaan plaats aan het maken voor een woestijnzon die door licht- en donkergrijze wolkenflarden probeert door te breken. Op het terras aan de oever van de lagune bestel ik een expresso, wat enige ogenblikken later een kop Nescafé blijkt te zijn met minder water en een schepje oploskoffie meer. Ik probeer me niet te ergeren. Ook vanmorgen probeerde ik dat, toen we na lang wachten het ontbijt in omgekeerde volgorde kregen opgediend. Als eerste kwam een kop heet water en een schoteltje met daarop een zakje oploskoffie. Vervolgens kwamen de broodjes, de confituur en de boter. Een kwartiertje later verscheen het spiegelei en om de zaak af te sluiten bracht men nog eens tien minuten later het fruitsap. Dat de koffie al lang koud was toen we aan ons broodje met spiegelei begonnen moge duidelijk zijn. Intussen zijn we overduidelijk op de gringoroute terecht gekomen. Drommen backpackers en toeristen kruisen ons pad. Velen onwennig en nog niet vertrouwd met land en inwoners, anderen breedsprakerig, zoals de Hollanders naast me, vertellend over hun ervaringen. Intussen zijn ook de prijzen gestegen en aangepast aan de dollartoeristen. Het is duidelijk hoogseizoen! Daarstraks had ik de gelegenheid om even tussen boeken te verdwijnen. Abraham Valdelomar, een autochtoon, heeft hier aan de boorden van de laguna, met zijn eigen collectie een bibliotheek opengesteld voor het publiek. Uitlenen kan niet, maar het is goed vertoeven aan zijn grote leestafel. Het overgrote deel van zijn boeken is spaanstalig en literair of filosofisch. Slecht enkele schabben bevatten engelstalige literaire werken. Ik ben de engelse taal echter niet genoeg machtig om er ten volle van te genieten, maar het kunnen verwijlen tussen de geur van de oude boeken, compenseert dit gevoel ruimschoots. De schilderijen in het huis hangen er roerloos mooi te wezen en aan een lange koord, vastgemaakt aan een balk in het plafond, hangt een bronzen klok. Ik heb niet het lef om de klepel in beweging te zetten...Op de leestafel, uiteraard boeken, maar ook gedichten, geschreven in de mooiste kalligrafie en wachtend om gelezen te worden. Ik las er enkele, hopend ze te begrijpen. Vruchteloos. Op mijn tippen verdween ik weer, er zorg voor dragend om de stilte die zo broos was als een kerstballonnetje, niet te breken. Op de promenade waren er intussen nog meer dagjesmensen. Alegria! Aimé
WEG… 28 juli 2005 Lima hebben we na een verblijf van vijf dagen achter ons gelaten en we rijden richting Pisco waar we de zeevogels en zeeleeuwen op de Islas Ballestros gaan observeren. Het is vooravond en voor we het stadje intrekken met de bedoeling wat eten te vinden, wil ik nog een beetje schrijven. Mijn dagrugzakje waar zich al mijn schrijfspullen in bevinden heb ik nog niet opengemaakt, het staat naast mijn bed. Na het te hebben geopend zoek ik vruchteloos naar het kleine tasje waarin zich mijn dagboek, mijn mapje met reisverhalen en mijn manuscript met een stuk autobiografie bevinden. Het tasje is weg! Zonder er op het moment zelf verder te hebben bij nagedacht, realiseer ik me nu dat mijn dagrugzak niet meer op dezelfde plaats lag in het bagagerek van de autobus en dat één van de drie sluitingen van de klep los was. Het zakje is er uit gestolen... Voor de dief heeft het geen enkele waarde, voor mij des te meer. Ik weet dat het zinloos is, maar toch ga ik naar de busterminal om te vragen of er misschien een tasje in de bus in de bus van 10.15 u. is gevonden. Niets... Gebeurtenissen en belevenissen van tien maanden reizen liggen nu ergens weggegooid langs de weg van Lima naar Pisco. Vreemd, maar ik voel geen kwaadheid, wel een grote verslagenheid en een vraag naar het waarom. Er was zoveel meer waardevols te pikken dan dat tasje, maar dat waardevols bleef onaangeroerd... In Cuenca, Ecuador crashte mijn memorystick waar al de reisverhalen in waren opgeslagen. Gelukkig hadden we kopij ervan naar ons eigen e-mail adres gestuurd. En nu...nogmaals waarom? Een deel van de reisverhalen die ik nog moest verzenden zullen jullie nooit aankrijgen, maar ik ga wel verder schrijven, hetgeen nog volgt na tien maanden reizen en dat is zeker niet het onbelangrijkste. Linda en ik zitten nu in de woestijn, ergens verstopt in een oase terwijl in de rest van Peru de Fiesta de la Patria woedt. Overal optochten en stoeten en op elke hoek van de straat een vaderlandslievende toespraak. Een land dat niets doet voor zijn volk en toch nog zijn inwoners kan motiveren om, in uniform gestoken, met een vlag rond te paraderen en leuzen te scanderen. Ik begrijp het niet. Overmorgen gaan we naar Nasca met zijn enorme zandtekeningen in de woestijn en dan via Arequipa en Cusco naar de Macchu Piccu. Blijven lezen dus! Alegria? Aimé In een notedop... Vrijdag 29 juli 2005, 11u30... De woestijn van Peru... Aime is naar de bibliotheek. Een bibliotheek in een piepkleine oase waar we verblijven. De woestijn... ik zit er middenin, middenin de duinen, hoge duinen! Een geschenk voor mij... Het is een hele klus om ze te beklimmen, maar eenmaal een top bereikt, waauwh! In stilte zit ik tussen deze witte zandheuvels die sierlijk golvend rond me heen liggen. Het is innerlijke stilte want uiterlijk is er geen sprake van stilte. Rondom mij tientallen gezinnen met spelende kinderen. Jong en oud klautert moeizaam met een sandboard naar boven, maar de pret van het naar beneden suizen compenseert ruimschoots de moeite. Buggy’s rijden razendsnel en met veel lawaai de heuvels op en af, voor de kick... Naast mij hoor ik smakkende zoenen. Met hun hoofd onder een sweater verklaart een jong stel elkaar de liefde... Ik laat het gebeuren rondom mij aan mij voorbij gaan. Iets wat ik niet altijd kan. Leven tussen Latino’s die niet weten wat stilte betekent, blijft een opgave, althans voor mij. Soms lukt het me, soms niet. Wat er twee dagen geleden gebeurde vond ik vreselijk voor Aime. Ik voelde zo met hem mee... Alle reisverhalen die hij opschreef, alle persoonlijke notities in zijn dagboek, zijn levensverhaal dat hij aan het schrijven was. Hij zou een "echt" boek gaan schrijven. Hij schreef jeugdverhalen op waar ik ontroerd door was. Ik leerde een andere Aime kennen. Iedere dag las hij mij een stukje voor. Geboeid luisterde ik hoe hij vertelde over zijn grootouders. Zijn grootmoeders Maria en Justine, zijn grootvaders Jan en Aime, ja... Nu is alles verdwenen. Neen, we zijn niet kwaad op degene die het stal. Hij of zij speelt enkel een rol in ons verhaal. Een verhaal van twee mensen die zichzelf en elkaar proberen te vinden tijdens een lange reis. Een reis die nu bijna tien maanden duurt. Een reis waarin al zoveel gebeurd is. Lief en leed. Gelukkig en ongelukkig zijn. Een reis waarin we na vele egogevechten denken elkaar gevonden te hebben. We leren onze kleine "ikjes" te overstijgen en elkaar te aanvaarden zoals we zijn. Ik leer vrij te zijn in een relatie, iets wat me vroeger niet lukte... 14u30...De achtertuin van de hostal Huacachinero. Woestijn... Ik heb me neergevleid in het warme zand tegen de flank van een torenhoge duin. Voor me ligt het zwembad van de hostal, waarond een ganse Peruaanse familie is neergestreken. Ik had me de Peruanen anders voorgesteld. Misschien keek ik te veel naar plaatjes van de Andes. Na een maand Peru heb ik nog geen enkele Peruaan op straat gezien in de zo bekende klederdracht. Enkel op de folkloristische markt in Lima zagen we verkopers uit Cuzco, inderdaad gekleed zoals op de plaatjes. Maar ja, we zitten dan ook al een maand aan de andere kant van de Andes. De kuststreek. De kuststreek die ik wou zien vanwege de woestijn die er domineert. Meer dan duizend kilometer reisden we doorheen uitgestrekt woestijngebied. We namen dan ook dagbussen om niets te missen van dit uitzonderlijk landschap dat grenst aan de Pacific. We begonnen in het noorden, in Mancora, een surfplaats. Tevens de laatste keer dat we de Pacific konden induikelen, want hoe zuidelijker, hoe kouder. Het is hier immers winter. De volgende halte was Chiclayo, een drukke, lawaaierige stad. Het nabij gelegen stranddorp Pimentel lag er wegens de kou verlaten bij. Het enige wat ons van Chiclayo zal bijblijven is het museum van "El Señor de Sipan". Een mysterieuze pre-Inca koning. Hij stierf op ongeveer veertigjarige leeftijd. In pracht en praal werd hij begraven samen met zijn twee vrouwen, een kind van tien jaar en verschillende dienaren en dieren. Zij werden geofferd om hem te begeleiden naar het hiernamaals... Met dit luguber verhaal vertrokken we naar Trujillo. Een mooie aangename stad. Dezelfde verhalen hoorden we in Chan Chan, een goed bewaarde pre-Inca stad. Verschillende aardbevingen gedurende de eeuwen verwoestten vele Spaanse kerken en gebouwen. Steden zoals Chan Chan opgetrokken uit zand en klei bleven gespaard. Vreemd... In Trujillo verbleven we noodgedwongen negen dagen. Beiden waren we terug ziek en om beurten lagen we letterlijk plat... Eenmaal aan de beterhand vertrokken we naar Lima, de hoofdstad van Peru. Tot onze grote verbazing niet de vuile, vieze stad zoals iedereen ons zei. Natuurlijk zijn er de sloppenwijken, net als aan de rand van iedere grote stad. Maar we namen de tijd om ook andere stadsdelen te bezoeken zoals Miraflores en Barranco. In Barranco verbleven we bij Jean-Paul, een landgenoot met de hemelse familienaam Hemelaer. In zijn hostal ontmoetten we overwegend Belgen en het voelde een beetje onwennig om plots Hasselts, Kortrijks, Leuvens en Gents te horen praten. De "Backpackerssuite" van J-P staat nu onwankelbaar op nr. 1 in de top tien van onze slaapverblijven! 26 juli vertrokken we naar Pisco. In een notedop vier weken Peru... Aime had het allemaal zo mooi opgeschreven. Hij is moedig mijn Aimeke. Dezelfde dag nog toen zijn spullen verdwenen waren kocht hij een nieuw schrift en dezelfde dag schreef hij alweer. Ja, hij is moedig. Hij wenkt mij, we gaan sandboarden... Que le vaja bien! Linda Boeken in de woestijn... Aan het tafeltje naast me...Hollanders. Overduidelijke Hollanders. Luidsprakerig en uitvoerig vertellend over hun reiservaringen. Wanneer ze Cusco op z’n Hollands uitspreken klinkt het heel vreemd. De gezelligheid en historische waarde van de stad zijn er zo af en wanneer ze het over de Machu Picchu hebben lijkt het alsof ze Disneyland hebben bezocht. Ze vinden hun uitlaatklep bij een stel Belgen, Gentenaars. Deze zijn blijkbaar nog maar juist in Peru aangeland en luisteren maar al te gretig naar wat de Hollanders uitkramen. In Huacachina, een oase in de woestijn nabij het stadje Ica, viert men voor de tweede dag de Fiesta de la Patria. De promenade is druk bevolkt met kuierende mensen. Autochtonen en gringo’s. De ochtendkoude is nu stilaan plaats aan het maken voor een woestijnzon die door licht- en donkergrijze wolkenflarden probeert door te breken. Op het terras aan de oever van de lagune bestel ik een expresso, wat enige ogenblikken later een kop Nescafé blijkt te zijn met minder water en een schepje oploskoffie meer. Ik probeer me niet te ergeren. Ook vanmorgen probeerde ik dat, toen we na lang wachten het ontbijt in omgekeerde volgorde kregen opgediend. Als eerste kwam een kop heet water en een schoteltje met daarop een zakje oploskoffie. Vervolgens kwamen de broodjes, de confituur en de boter. Een kwartiertje later verscheen het spiegelei en om de zaak af te sluiten bracht men nog eens tien minuten later het fruitsap. Dat de koffie al lang koud was toen we aan ons broodje met spiegelei begonnen moge duidelijk zijn. Intussen zijn we overduidelijk op de gringoroute terecht gekomen. Drommen backpackers en toeristen kruisen ons pad. Velen onwennig en nog niet vertrouwd met land en inwoners, anderen breedsprakerig, zoals de Hollanders naast me, vertellend over hun ervaringen. Intussen zijn ook de prijzen gestegen en aangepast aan de dollartoeristen. Het is duidelijk hoogseizoen! Daarstraks had ik de gelegenheid om even tussen boeken te verdwijnen. Abraham Valdelomar, een autochtoon, heeft hier aan de boorden van de laguna, met zijn eigen collectie een bibliotheek opengesteld voor het publiek. Uitlenen kan niet, maar het is goed vertoeven aan zijn grote leestafel. Het overgrote deel van zijn boeken is spaanstalig en literair of filosofisch. Slecht enkele schabben bevatten engelstalige literaire werken. Ik ben de engelse taal echter niet genoeg machtig om er ten volle van te genieten, maar het kunnen verwijlen tussen de geur van de oude boeken, compenseert dit gevoel ruimschoots. De schilderijen in het huis hangen er roerloos mooi te wezen en aan een lange koord, vastgemaakt aan een balk in het plafond, hangt een bronzen klok. Ik heb niet het lef om de klepel in beweging te zetten...Op de leestafel, uiteraard boeken, maar ook gedichten, geschreven in de mooiste kalligrafie en wachtend om gelezen te worden. Ik las er enkele, hopend ze te begrijpen. Vruchteloos. Op mijn tippen verdween ik weer, er zorg voor dragend om de stilte die zo broos was als een kerstballonnetje, niet te breken. Op de promenade waren er intussen nog meer dagjesmensen. Alegria! Aimé NAZCA 30 juli 2005 Gisteren lieten we Huacachina en Ica achter ons. We zagen nog net een glimp van de “Cerro Blanco”, de hoogste duin ter wereld. 2078 meter, om te sandboarden net iets te hoog… Het was slechts twee uur rijden via de Panamerica naar Nazca en de duinen maakten plaats voor een ruw woestijnlandschap. Vandaag is de enige dag die we in Nazca zullen doorbrengen. We staan aan “El Mirador”. Een stalen torenconstructie, te midden een uitgestrekt woestijn gebied, waar de “Nazca Lines” over meer dan vijfhonderd vierkante kilometer verspreid liggen. Een labyrinth van kilometers lange lijnen en figuren, ooit uitgegraven door een onbekend volk. Niemand weet exact wanneer of door wie deze lijnen getrokken werden. Tussen 900 v. en 600 n. Chr. Een wel zeer ruime schatting! Er zijn meer dan achthonderd mysterieuze lijnen en driehonderd figuren die soms driehonderd meter lang zijn. In 1550 werd er voor het eerst over geschreven door de Spaanse geschiedschrijver Pedro Cieza de Leon. In 1901 begon de Duitse archeoloog Max Uhle de lijnen te onderzoeken, maar het was pas in 1939 dat een andere archeoloog, Paul Kosok, de lijnen in de bekendheid bracht. Maria Reich, een Duitse vrouw die in 1934 als gouverneur naar Peru kwam en later vertaalster werd van het werk van Kosok, was enorm gefascineerd door dit archeologisch enigma. Het werd haar passie tot ze in 1998 stierf op de gezegende leeftijd van 95 jaar. Ze ontdekte dat de figuren vooral astronomische betekenissen hadden. Twaalf figuren geven het beeld van een dierenriemteken. “El Arbol”, of de boom staat synoniem met mijn tweeling teken en “El Raiz”, of de wortel komt overeen met waterman, het teken van Aime. Als dat niet mooi bij elkaar past… Voor de inwoners van Nazca is Maria “The Lady of The Lines” en overal zie je haar foto of haar naam. Ze leefde in het hotel “Nazca Lines” het enige sjieke hotel in Nazca, waar ze een planetarium stichtte. Een jonge verkoopster in het souvenirwinkeltje van het hotel, herinnert zich dat Maria ofwel in het zwembad van het hotel, of in de woestijn vertoefde. Wanneer ik de trappen van El Mirador op ga probeer ik mij haar voor te stellen… Eenmaal boven op het platform zien we duidelijk een hagedis, handen en een boom. Stenen werden tot op een bepaalde diepte verwijderd en niets heeft dit meesterwerk ooit uitgewist. Het mysterie blijft… Na de middag bezoeken we “El Cementerio Chauchilla”, een afgelegen pre-Inca kerkhof waar de doden van weleer als poppen tentoongesteld zitten in grote kuilen in de woestijn. Door de droogte blijven de mummie`s goed bewaard, maar het is vooral hun kledij en het lange zwarte haar dat hen “levend” houdt. Toen deze mannen, vrouwen en kinderen het tijdelijke voor het eeuwige verwisselden, zullen ze wel niet geweten hebben welk een bezienswaardigheid ze zouden worden voor toeristen uit de hele wereld… Als afsluiter van deze dag liggen we languit in de zetels van het planetarium en kijken naar de “Milky Way” waar duizenden sterren oplichten. We luisteren naar het verhaal van een van de adepten van Maria over de gemeenschappelijkheden van de sterren en de Nazca Lines. Om 22u30 vertrekken we met de nachtbus uit dit zanderige cowboydorp richting Arequipa. Hasta Luego! Linda
WAT IK NOG ZEGGEN WILDE… Arequipa, 4 augustus 2005, een woensdag Er staat een mooi getekend aardewerken kopje voor me. Café Inkari in het steegje achter de kathedraal serveert echte koffie. Koffie waar je lepeltje van ombuigt wanneer je er in roert. Peru scoort laag in zijn aanbod van verse koffie, wat maakt dat op dat vlak in vijfennegentig procent van de gevallen café- of restaurantbezoek op een teleurstelling uitdraait. Vooral ‘s ochtends heb ik er het meeste last van. Een dag komt voor mij altijd beter op gang wanneer hij wordt voorafgegaan door een geurige kop versgezette koffie en niet door een tas heet water met daarnaast een karakterloos potje oploskoffie. Roken doe ik niet en drinken behoort ook al tot een vorig leven, dus eigen ik mezelf het recht en het genot toe van één of meer dagelijkse koppen verse, cafeïnerijke koffie. Om ondermeer die reden zit ik nu aan het raam van café Inkari. Een andere reden is dat ik even vlucht uit het toeristengedrum om me terug te trekken in mijn schrijfwereld. Een wereld die zoals je in een vorig stukje kon lezen, grondig werd dooreengeschud bij het verdwijnen van mijn gebundeld schrijfmateriaal, waaruit ik u trouwens nog enkele reiservaringen schuldig was. Wat ik toen schreef kan ik maar enkel resumeren in wat nu volgt: Mancora was de eerste plaats waar we aanlandden na Ecuador vaarwel te hebben gezegd. Linda wilde er nog enkele dagen strand, gecombineerd met woestijn aan toevoegen alvorens naar het koudere zuiden af te zakken. Mancora heeft inderdaad beiden, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Het is een dorp dat zich graag stad noemt en zich over enkele kilometers langs de boorden van de oceaan uitrolt. Het plaatsje wordt vooral aangedaan door surfers. Voor het spectaculaire brandingwerk waren we echter te laat daar het echte seizoen zich toespitst in de maanden december tot en met april. Voor ons beiden was het seizoen ideaal daar het water nu bezwembaar was zonder gevaar om met een reuzengolf te worden meegevoerd en enkele maanden later ergens op de Fillipijnen aan te spoelen. In Mancora ontmoette ik ook Ismael en zijn bloedmooie vriendin Paloma. Twee nieuwbakken hippies die in een tentje op het strand wonen. Ismael is muzikant en maakt fluiten. Van hem kocht ik een fluit gemaakt uit het vleugelbeen van een pelikaan en een hoorn gemaakt uit een reuzenschelp. Tot op heden ben ik er niet in geslaagd, hoe ik ook probeer, om enige noot uit het pelikanenonderdeel te krijgen. Ik geef echter niet op… Het hele westelijke deel van de Andes is woestijn. Zandwoestijn en rotswoestijn. In de onbewoonde stukken is ze van een intense en indrukwekkende schoonheid, waar er echter nederzettingen, dorpen of stadjes zijn verschijnen, is ze intens en indrukwekkend vervuild. Al van kilometers voor de bebouwing begint rijdt de autobus tussen brede stroken stort waar kinderen en honden rondscharellen naar wat bruikbaars of eetbaars. Eén van die woestijnstadjes is Chiclayo… Chiclayo heeft enkele belangrijke Moche en Chimu nederzettingen in haar directe omgeving, deze bevolkingsgroepen waren de voorlopers van de Inca’s. In het fonkelnieuw museum kan je er de vondsten bekijken uit de koninklijke tombes van de heer van Sipan, vondsten die men nog uit de klauwen van de nog altijd aktieve grafschenners heeft kunnen redden. Het museum geeft op een overzichtelijke manier kijk hoe het leven er in die tijd aan toeging. Op het einde van de rondgang krijgt men op de koop toe een show van levensgrote bewegende beelden die het ritueel van de zonsopgang uitvoeren. Enkele kilometers westelijk van Chiclayo ligt het desolate strand- en vissersdorp Pimentel. Een afgetakelde pier steekt op hoge poten in zee. Aan de verroeste sporen leid ik af dat hier ooit een trein reed, waarschijnlijk om de door de boten aangevoerde vis naar de vismeelfabrieken te transporteren. Honderden knalgele Daewoo personenwagentjes rijden hier in Chiclayo irriterend toeterend rond. Het zijn de plaatselijke taxi’s die via hun claxon aan de voorbijgangers duidelijk maken dat ze ter beschikking zijn. Ze maken de straten tot een chaos, negeren voorrangsregels en verkeerslichten en houden niet het minste rekening met overstekende voetgangers. En de politie…die stond er bij en keek er naar. De overheid wil door middel van taxi’s de autobussen uit de stad houden, maar vergeet daarbij dat de verkeers- en milieuhinder alzo veel groter is. De taxi’s staan immers nooit stil, ze blijven ook leeg rondrijden om op die manier aan passagiers te raken. Op weg naar Trujillo, een vier uur durende rit, rijden we beurtelings door de woestijn en langs de kust van de Pacific. In de woestijn zien we regelmatig een soort van lange zwarte loodsen opgesteld staan, soms wel meer dan tien naast elkaar. Na een tijdje merk ik dat de loodsen houten constructies zijn waarover zwart zeildoek werd gespannen. Wanneer ik in het voorbijrijden een snelle blik onder het zeildoek kan werpen, zie ik de inhoud van de loodsen...kippen. Tienduizenden kippen. In een reeks loodsen staan legbatterijen waar kippen in kleine hokjes opgesloten zitten en in een andere loodsen houdt men kippen die voor consumptie worden vetgemest. Deze lopen op de woestijnbodem, in zoverre er van lopen kan gesproken worden want door de overbezetting zie je niets meer van de bodem. De warme stank die vanuit de loodsen komt gedreven walmt tot in de autobus. Naast de loodsen staan de barakken van de gezinnen die in het bedrijf werken en de kippen verzorgen. Kinderen spelen buiten in de ongenadige hitte van de woestijn. Van schoolgaan of contact met anderen is hier geen sprake, daarvoor zijn deze “nederzettingen” te ver afgelegen van de bewoonde wereld. En dan, na uren rijden...verandert het landschap van uiterlijk. Geen woestijn meer, maar in de plaats een overdaad aan groen. Landbouwgewassen, afgewisseld met bananenplantages, suikerriet- en rijstvelden en katoenaanplantingen. Men is er in geslaagd door bevloeïng en bemesting de woestijn vruchtbaar te maken. De woestijn van weleer zorgt voor voedsel én tewerkstelling. Tussen de uitgestrekte landerijen staan gebogen figuurtjes te hakken en te wieden en verderop wordt de oogst op ezelskarren en platte wagens geladen. Tussen de rijen gewassen ligt een netwerk van zwarte waterslangen. Op geregelde tijdstippen zorgen zij ervoor dat de planten het nodige vocht krijgen om te blijven groeien en produceren. Na zo lang door het dorre en onherbergzame landschap te hebben gereden geniet ik van al dat groens. Een woestijnmens zal ik denkelijk nooit worden. In Trujillo kom ik tot de vaststelling dat tien maanden reizen geen garantie blijkt te zijn voor immuniteit. De spijsverteringsproblemen waar ik al enkele weken mee geplaagd zat, maar weinig aandacht aan schonk, manifesteren zich nu ten volle... Op het menu van Casa de Clara staat gebakken vis. De naam van het beest blijf ik u schuldig wegens te moeilijk. ‘s Ochtends zag ik hem al gezond en glimmend in de spoelbak van de keuken liggen en later op mijn bord geurde hij heerlijk. Vier uur na de maaltijd stond ik voorover gebogen over de toiletpot en de daaropvolgende acht uur kon de meest intieme vierkante meter van het huis op een regelmatig bezoek van mijnentwege rekenen. Ik besloot een dokter te raadplegen. Zijn naam was César en was de vriend van de dochter des huizes, luisterend naar de overheerlijke naam Delicia. Gezien de bevoorrechte positie die hun verhouding voor ons beiden (Linda voelde zich ook niet echt lekker in de buik) meebracht, konden we de lange rij wachtenden in het ziekenhuis achter ons laten en werden we onmiddellijk toegelaten tot het kabinet van dr.César. Buikproblematiek stond niet in de snelcursus Spaans die we ooit volgden en de cursus Engels van dr. César had blijkbaar ook nooit dit onderwerp aangesneden. De bevraging verliep moeizaam en kwam er uiteindelijk op neer dat een labo-onderzoek van de stoelgang noodzakelijk was. We waren er op voorzien dat dit tot de mogelijkheden kon behoren en hadden ‘s ochtends, ik bespaar u de details, een stukje toiletbezoek in een filmdoosje (een leeg) gedropt. In het labo, aan het andere eind van de stad, werden we ontvangen door een overvriendelijke heer, die ons met de doosjes met inhoud in de hand, liet plaatsnemen in de wachtkamer. Na een tijdje verscheen er een andere overvriendelijke heer. Hij ontlastte ons van onze ontlasting, die hij, zo verzekerde hij ons, aan een grondig onderzoek zou onderwerpen. U komt morgen om 17 u. maar terug, zei hij in het Spaans, dan hebben we de resultaten van het onderzoek voor u klaar. De volgende dag bij het labo aangekomen, zagen we door de openstaande voordeur dat beide overvriendelijke heren zich op de bank in de gang hadden genesteld, waar ze elkaar omarmend en diep in de ogen kijkend, wederzijds overvriendelijkheden toefluisterden. Ze schrokken op toen we aanbelden. Met neergeslagen ogen en een lichte gène opende één van de heren de zware traliedeur van de voortuin om ons vervolgens naar de bank te geleiden waar hij even voordien zijn medewerker nog zijn herenliefde betuigde. Het resultaat van het onderzoek zou de dokter ons mededelen zei de man van het labo die intussen, om het hele gebeuren een officieel tintje te geven, een blauwe labojas had aangetrokken. Vertrouwelijk deelde hij ons al wel mee dat onze ingewanden bezoekers hadden gekregen. Linda bood huisvesting aan een bacterie en ik onderhield een hele kolonie darmparasieten. Op weg naar de dokter bedacht ik hoe mooi beide heren hun geaardheid met hun beroep hadden weten te verenigen... Dr. César vertelden we niet wat we al wisten en lieten hem in de waan dat hij de primeur had om het heuglijke nieuws mede te delen. Geen koffie, geen zuivel, weinig zetmeel en alles koken alvorens het op te eten, was het dieet dat hij ons voorschreef. Daaraan toegevoegd een antibioticakuur, sterk genoeg om een hele kudde paarden te ontwormen. De tweede capsule van de in totaal dertig, deed me vaststellen dat het middel erger was dan de kwaal en dat ik met de tijd die ik nu boven de pot doorbracht, mijn vorig record van acht uur, met zestien uur verbeterde. Surfen op het internet leerde me dat er ook natuurlijke middelen bestaan om parasietenkolonies het leven zuur te maken en noodgedwongen naar de uitgang te drijven. Ik ging ze te lijf met papayapitten, hoge dosissen knoflook in capsules, Aloë Vera (een wondermiddel) en Katteklauw (voor alle duidelijkheid: dit is een plant!). Het internet leerde me tevens dat de voorgeschreven antibioticakuur niet echt garant stond voor het verhelpen van de kwaal. Ik verheug me nu terug op een goede eetlust en en postitieve benadering van het leven, wat zeggen wil dat ik niet meer met wraakplannen rondloop naar alle Zuid-Amerikaanse restauranthouders die hun handen en groenten niet degelijk wassen en hun laars vegen aan ook maar enige vorm van hygiëne. Alegria! Aimé AREQUIPA, stad naar mijn hart… Zoals je aan de titel al kan afleiden, is schrijven over Arequipa voor mij een dankbare taak. Schrijven over een stad die tijdens de dag wordt overgoten door een nooit aflatende zon en die ‘s nachts baadt in een warm gelig sprookjeslicht kan niet anders dan dankbaar zijn. Arequipa heeft klasse, een bepaalde grandeur die je zelfs in de hoofdstad Lima niet vindt. Wanneer ik de Plaza de Armas betreedt -en ik schrijf bewust betreden en niet gewoon oplopen, omdat betreden een zeker respect in zich houdt- die baadt in een azuurblauwe zuiverheid, krijg ik het gevoel te worden opgenomen in het geheel. Ik wordt deel van het stadsbeeld. Een stadsbeeld van kuierende moeders met kroost, van flanerende toeristen en backpackers met hun "verover de aarde"-blik in de ogen. Je kan je hier geen buitenstaander voelen want ook zij die menen buitenstaander te zijn maken deel uit van de Plaza, evengoed als de klaterende fontein met haar onafscheidelijke duiven, de keurig gesnoeide rozen en het gazon waar je onmiddellijk van wordt teruggefloten wanneer je het betreedt. Ik vind een plaats op een bank met aan het uiteinde een jong stel. Hij leest Dan Brown en even later kan ik ook de titel lezen De Da Vinci Code . Hollanders. Dan Brown scoort goed hier in Latijns Amerika. In elke librería staat hij wel in de rekken en in bijna elke hostal met book-exchange kan je hem in het engels, frans of italiaans omruilen tegen een door jou gelezen exemplaar. Of ik hem ook al heb gelezen? Ik antwoord bevestigend. Ik mag hem echter het einde niet verklappen, maar hoe zit dat nou eigenlijk met die illuminati ? vraagt hij. Ik laat het hem zelf ontdekken. In Arequipa houden mijn sandalen het voor bekeken. Al enkele weken loop ik met pijnlijke voeten tengevolge van versleten zolen. Mijn voeten hebben nl. de eigenschap om schoenzolen langs de buitenkant af te lopen, voornamelijk aan de hielen. Ik meen dat John Wayne destijds aan dezelfde afwijking leed, het verschil tussen mij en hem is echter dat hij met die manier van lopen behoorlijk de kost verdiende en ik met mijn afwijking door het leven moet sleffen. Momenteel ga ik dus door het leven met nieuwe, goedzittende sandalen en mijn oude prijken nu aan de vereelte, vuile voeten van de bedelaar die zijn vaste stek heeft tegenover het hostal waar ik met Linda de lakens en badkamer deel. Tijdens mijn dwaaltochten door de stad -en gewoonlijk dwaal ik wanneer Linda zich uitslooft achter een computer teneinde het thuisfront van haar nog in leven zijn op de hoogte te houden- ontdek ik gezellige, knusse plaatsjes. Eén van die plaatsjes is café Inkari, gelegen in een small steegje achter de kathedraal . Voor alle toeristendrukte zich op gang trekt, kan ik rustig buiten onder de parasol genieten van een kopje expresso, opgediend in een ambachtelijk vervaardigd aardewerken kopje. Hier kan ik me terugtrekken tussen de bladzijden van een boeiend boek of proberen zelf wat zinnige zinnen op papier te zetten. Vlak naast mijn tafeltje bevindt zich de achteringang van de kathedraal, de artiesteningang zeg maar, want met grote regelmaat verdwijnen door dit poortje, bruine en witte paters, maar ook nog de echte zwartrokken van toen ik ze nog kende op het Jezuietencollege, intussen alweer 45 jaar geleden. Even smaakt mijn koffie een beetje bitter. Wanneer het rond elven begint te draaien, komen ook de guided-tours op gang en blijkbaar is het steegje één van de niet te missen bezienswaardigheden, althans volgens de breedsprakerige gidsen die ofwel met gekke hoed ofwel met veelkleurige paraplu hun kudde proberen bij zich te houden. Dan is voor mij het moment gekomen om achter de coulissen te verdwijnen en mijn aktiviteiten voort te zetten in de duistere geborgenheid van café Inkari. De dienster met de steeds verlegen glimlach om de mond, loopt respectvol op de tippen telkens wanneer ze mijn tafeltje passeert. Ik voel me een beetje Pablo Neruda in Il Postino… Een dorp in de stad...Il Convento Santa Catalina. Aan de straat zie je alleen een oneindig lange blinde muur met aan het einde een grote dubbele poort. De enige in- en uitgang. Nicola die het hostal uitbaat waar ik logeer -La Posada del Viajero voor de nieuwsgierigen- raadt aan om zo vroeg mogelijk bij de nonnetjes op bezoek te gaan. Nonnetjes die ik trouwens nooit te zien zal krijgen. Het zijn immers slotzusters, wat wil zeggen achter slot en grendel. Weg van de buitenwereld met al zijn verlokkingen en uitdagingen die de ooit gedane belofte van kuis- en zuiverheid alleen maar aan het wankelen kunnen brengen. Een dorp in de stad...met eigen woningen waar telkens drie kloosterlingen verbleven. Ja, ik schrijf in de verleden tijd want nu hebben de nonnetjes al dat antieks voor de toeristen gelaten en zijn ze zelf naast de convento gaan wonen in een eigentijds gebouwencomplex. Verder hadden ze een eigen bakkerij, enorm grote keukens, naaiateliers voor eigen kleding en kledij voor de liturgie en een wasserij die altijd van vers stromend water werd voorzien, afkomstig van een bron ontspringend tussen enkele rotsen in de tuin van het klooster. Een bezoek aan dit klooster mag je niet overslaan, ware het alleen maar om te kunnen genieten van de piepkleine straatjes met fraai geschilderde muren, de bloemperken, de pittoreske poortjes en de klaterende fonteinen waarin de goudvissen een ongestoord en eveneens zuiver leven leiden. In het buitengaan zie ik aan de overkant van de straat café Zig-Zag, eigendom van het Franse ministerie van cultuur. Café Zig-Zag maakt, buiten reklame voor Frankrijk, honderd verschillende soorten crêpes, zowel zoete als hartige. Opsomming van de variëteiten moet ik u besparen. Een Peruaan met franse koksmuts staat achter de bakplaat. Met een meditatieve waardigheid schikt hij een kanjer van een pannekoek op het bord, voorziet hem van de gevraagde vulling, vouwt hem dicht en maakt het meesterstuk af met een sliert dikke chocoladesaus en een takje munt. Ik bestel er café au lait bij, maar dat verstaat niemand... Alegria! Aimé EL CONDOR PASA… In één dag van Arequipa naar de Colca Canyon en daar dan ook nog de condor zien opstijgen, dat kon niet. Noch volgens onze trekkersrbijbel The Lonely Planet, noch volgens Nicola, de al in een vorig artikel vernoemde kotmadam van Hostal El Viajero. Twee dagen moet je er voor uittrekken zei ze, the Lonely Planet bevestigend, en de ochtend van de tweede dag moet je voor de zon opkomt aan de rand van de afgrond staan, daar waar de condor en familie zich zullen verwaardigen om voor het voltallige publiek enige rondjes te vliegen. De ochtend van de eerste dag worden we opgehaald door Alberto. Hij zal voor de volgende achtenveertig uur onze gids zijn. Achter de hoek wacht de autobus, die op enige lege banken na, vol zit met condor spotters. Na ons doet de bus nog enkele andere hotels aan, waar Alberto zo veel volk buiten haalt als nodig is om de laatste lege plaatsen op te vullen. Onderweg naar de bestemming vertelt hij boeiend over het fenomeen en de gevolgen van hoogteziekte, dit alles met in het achterhoofd dat we de komende twee dagen boven de 4000 m. zullen doorbrengen, met één uitschieter van net boven de 5000 m. Hiermee zullen we als eerste worden geconfronteerd. Van hoogteziekte weten we intussen alles. Hoofdpijn, ijlheid, gebrek aan eetlust en een smaak in de mond die voor een open riool tijdens een hittegolf niet moet onderdoen, zijn de symptomen waar we al enkele dagen van te lijden hadden. De folder die AZ Sint Jan in Brugge ons destijds ter hand stelde, bevestigde dat wat Alberto ook zei, nl. dat het slechts tijdelijke verschijnselen zijn, noem het aanpassingsproblemen aan de extreme hoogte. Alberto komt in tegenstelling tot het AZ Sint Jan met een mirakelgeneesmiddel op de proppen…Coca blaadjes! Geen thee van coco blaadjes, de werking ervan is te verwaarlozen, maar coca blaadjes om te kauwen. De woorden van Alberto zijn nog niet helemaal uitgesproken, of de autobus houdt halt voor een sanitaire stop. Toeval wil dat in hetzelfde plasgebouw ook een winkeltje is gehuisvest waar naast snoeperijen en frisdrank, ook zakjes met coca blaadjes worden verkocht… Toen na aan alle behoeften te hebben voldaan, iedereen terug zijn plaats heeft ingenomen, blijkt dat er zoveel zakjes met coco blaadjes zijn ingeslagen, dat na de Andes pieken ook nog de Himalaya kan beklommen worden zonder enige last van hoogteziekte. De hoeveelheden waarmee Linda komt aandraven blijken meer dan genoeg om haar in België voor levenslang achter de tralies te zetten. Coca kauwen doe je niet zo maar in het wilde weg. Niet zo maar even je hand in het zakje steken, wat blaadjes bijeengraaien en beginnen met kauwen. Neen ! hoe het wel moet zou Alberto ons zo even voor doen. Met een krakende microfoon in zijn linker- en een tiental cocablaadjes in zijn rechterhand, wijdt hij het aanwezige publiek in, in de kunst van het coca kauwen. De cocablaadjes worden netjes op elkaar gelegd, de kleintjes bovenaan, de grotere van onderen. Vervolgens legt men op het bovenste blaadje een brokje steen. Het is geen echte steen, maar het lijkt op een grijs keitje dat bestaat uit samengeperste as van een bepaalde houtsoort. Het pakje blaadjes wordt samengevouwen met het brokje steen er netjes midden in en daarna weggemoffeld in een mondhoek naar keuze, echter liefst in je eigen mond. Mocht je gedacht hebben dat je nu direct aan het kauwen zou kunnen slaan, dan ben je glad verkeerd. De eerstvolgende tien minuten nadat je de blaadjes in een mondhoek heb laten verdwijnen, doe je… niets! Het is immers de bedoeling dat je met je speeksel de blaadjes en het steentje zacht maakt. Eerst daarna mag je –opgelet, zéér langzaam – beginnen kauwen. In het begin gebeurt er niet zoveel maar na een tijdje wordt je kaak een beetje voos, alsof je zonet bij de tandarts een verdovend spuitje hebt gekregen. Van totale gevoelloosheid blijf je echter gespaard zodat je geen angst moet hebben dat je, zonder dat je er van bewust bent, stukken uit je lip of kaak bijt. Met één portie blaadjes ben je een tweetal uren zoet. Coca blaadjes kauwen tempert het honger- en dorstgevoel, vandaar dat de bedelaars op straat eerder gediend zijn van een zakje blaadjes dan van eten of drinken. Het effect is immers van langere duur. Ook vrachtwagen- en buschauffeurs kauwen aanhoudend coca, het helpt tegen vermoeidheid. En gringo’s...zij kauwen tegen de verschijnselen van hoogteziekte, en het helpt. Intussen dobbert de autobus verder tussen het woeste onherbergzame Andeslandschap. Door de hoogte en de schrale wind kan de zon het land niet opwarmen, hoe zeer ze ook brandt. Geen enkele wolk houdt haar tegen. De bus vertraagt en stopt. Langs de weg graast een kudde Vicuñas. Schichtig steken ze de kop op . Wanneer ze zien dat het enkel onschuldige gringo’s met camera’s zijn die naar hen staren, grazen ze verder. De Vicuña is een in het wild levende lamasoort. Gelukkig zijn ze beschermd en mag er niet op hen worden gejaagd. Van hun rossige vacht wordt één van de duurste wolsoorten ter wereld vervaardigd en de plaatselijke campesinos (boerenbevolking) hebben van de autoriteiten de toestemming gekregen om eens per jaar de dieren samen te drijven en ze te scheren. Daarna worden ze terug vrijgelaten en kunnen ze voor de rest van het jaar verder grazen en zich door toeristen laten fotograferen. 5032 m. is het hoogste punt dat we aandoen. Wat het landschap betreft is er niet zoveel verschil of je op 4000 m. bent of op 5032 m. Alles is even schraal. Op 5032 m. moet je echter serieus naar adem happen en een spurtje naar de herberg die een eindje verderop ligt zit er niet in. Je wordt trouwens gehinderd door de sierlijk opgetuigde lama’s, Alpacas, schapen en geiten. Zij flaneren ongestoord tussen de kraampjes met textiel en souvenirs en laten zich gewillig fotograferen terwijl ze gezapig verder kauwen. Voor ik terug op de bus stap maak ik nog vlug een steenmannetje tussen de duizenden anderen die hier door de bezoekers in het landschap werden neergezet. Oorspronkelijk zette men steenmannetjes om de goden te danken voor een veilige doortocht in de bergen. Ik dank de berggoden omdat ik hier mag zijn in hun oneindig mooie en grootse natuur. Aardedonker en steenkoud is het de volgende morgen om half vijf wanneer we onze warme lijven van tussen de dekens wringen. Een uur later is het nog aardedonker en in de autobus is het steenkoud en zo zal het blijven tot een uur later de zon aan haar dagtaak begint en haar stralen door de ramen priemt. De Colca-canyon. Van op de rand zie je 1200 m. lager een miniscuul riviertje stromen. Adembenemend... zowel door de schoonheid, de ijle lucht als door de enorme diepte die me een beetje een slappebenengevoel geeft. De zon heeft de canyon nog niet bereikt en ergens onzichtbaar voor het oog, zitten in de donkere grijsheid van de rotswanden de condors te wachten tot de zonnewarmte voor de nodige thermiek zal zorgen. Het is de warme lucht die hen zal dragen en hen ver boven de diepe kloven zal doen uitstijgen. Aan de rand van de canyon is er intussen al een heuse volkstoeloop op gang gekomen, maar ongeloofelijk maar waar, iedereen blijft stil. Geen geroep of getier. Men is blijkbaar onder de indruk van de overweldigende grootsheid van de natuur. De zon breekt door en verlicht de wanden van de canyon die plots een heel gamma aan kleuren krijgen, gaande van grijs naar bruin en steenrood. Rotsspleten tekenen zich grimmig af. Daar verschijnt de eerste condor, een wijfje. Donkerbruin verenkleed en zonder kam op de schedel. Uit het niets komt ze voor het publiek voorbijgesuisd. Onderdrukte kreten van bewondering. Even later is het een mannetje met zwart verenkleed en rode kam dat langzaam begint met hoogte te zoeken. Steeds rondjes draaiend in de opstijgende warme lucht tot zijn profiel zich boven de hoofden tegen het azuur aftekend. Drie meter vleugelwijdte en 18 kg. lichaamsgewicht drijven als een pluimpje voorbij. Twaalf condors kan ik spotten wanneer Alberto me uit mijn euforie haalt en me samen met de anderen terug richting bus drijft. In de autobus, terug naar Arequipa, blijft het stil. Is het de ervaring van zonet, het vroege opstaan of ...de coca blaadjes! Alegria! Aimé INCA Cusco 10-8-05 Wanneer men het woord “Inca” hoort, denkt men onvermijdelijk aan Peru. Eindelijk is het zover. Machu Picchu komt dichterbij. Twee dagen geleden kwamen we aan in Cusco en Cusco is inderdaad “Inca”. Het historische centrum rust op funderingen van Inca tempels, paleizen en nederzettingen. Bovenop de muren die nog één tot twee meter boven de grond uitsteken, bouwden de Spanjaarden, nadat ze de oorspronkelijke gebouwen afgebroken hadden, met dezelfde stenen, hun “heiligdommen”. Cusco of “Cosqo” wat “navel van de aarde” betekent in Quechataal, werd volgens de Inca mythe gesticht in de 12de eeuw door de eerste Inca koning Manco Capac. Inca betekent “zoon van de zon” en Manco Capac kreeg de opdacht van Wiracocha, de God van de zon, om de navel van de aarde te zoeken. Hij vond deze plek op 3326 meter hoogte in de Andes. De eerste Inca’s waren alles behalve veroveraars en tot 1430 heersten ze enkel over de Cusco vallei, of de “Heilige Vallei”. Bloeddorstige Chankastammen uit andere omgevingen daagden de 9de Inca koning Pachacutec uit en het duurde tot 1438 vooraleer Pachacutec deze stammen versloeg. Met zijn Inca leger veroverde hij in de volgende 25 jaar een groot deel van de Andes. Cusco breidde hij verder uit naar de gedaante van de poema, symbool van de aarde. Hij was niet alleen een groot strijder, maar hij bewees zich ook als een uitstekend urbanist. Hij liet steden, tempels en paleizen bouwen, waaronder Sacsayhuaman, die de kop van de poema moest uitbeelden. Wanneer je naar een foto kijkt van Cusco by night, zie je dankzij de verlichting, duidelijk de gedaante van een poema. Ontdekte Inca sites en steden liggen hoofdzakelijk in de meest ontoegankelijke gebieden van de Andes. Velen zouden nog onaangeroerd liggen. De stijl van de huizen en tempels is gelijk aan die uit het oude Egypte. De bouwsels bestaan uit enorme rotsblokken die zo zijn gestapeld dat er geen speld tussen te krijgen is. Cement gebruikten ze niet. Deur- en vensteropeningen werden schuin naar boven toelopend gebouwd, wat erop wees dat deze bouwheren wisten hoe ze instorting ten gevolge van aardbevingen konden vermijden. Verschillende soorten granen en planten werden gecultiveerd, zowel voor voedsel als voor medicinale doeleinden, zoals kinine uit coca bladeren tegen malaria. De Inca’s verstonden hoe en waar ze de nodige aarde moesten verplaatsen en bebouwen, zodat ze grote oogsten konden binnenhalen van de verschillende terrassen die ze aanlegden tegen de flanken van de bergen. Om hun akkers te bevloeien versmalden of verlegden ze rivieren en konden op die manier waterkanalen aanleggen. Op sommige plaatsen waren er tot honderd terrassen boven elkaar. De aarde van de Andes is tot op de dag van vandaag ideaal voor het telen van aardappelen, maïs en quinoa. Naast granen en gewassen kweekten ze de cavia en de vicuna, de kleine Amerikaanse kameel, waaruit later de lama en de alpaca gekweekt werd. Deze dieren leefden in de gemeenschap als huisdieren. Hun wol werd gebruikt voor textiel en hun vlees voor consumptie. Ook nu nog zie je overal in de valleien deze dieren grazen, die nog steeds om dezelfde reden gekweekt worden. De vicuna echter was met uitsterven bedreigd en is nu een beschermd dier. Kledij geweven uit vicuna wol, is onbetaalbaar geworden. Authentieke geweven stoffen, die enkel te vergelijken zijn met kledij uit het oude Egypte en China, liggen nu in de grootste musea van Boston, New York en Washington. Sjaals, poncho’s, dekens en kledij, in de meest vindingrijke patronen en kleurcombinaties. Verder verwerkten ze brons voor messen en voor huishoudelijke voorwerpen, voor ringen, halskettingen, armbanden, shawlpins en spiegels, die alweer identiek waren aan deze gevonden bij Egyptische mummies Hun aardewerk is dan weer gelijk aan dat van Troje en Griekenland. Allerhande taferelen staan er op afgebeeld. Komedie en tragedie, mensen met verschrikkelijke ziekten en offertaferelen (meestal kinderen) en dieren zoals vogels, jaguars en poema’s. De Inca’s offerden occasioneel, vooral om gespaard te blijven van natuurrampen zoals aardbevingen en vulkaanuitbarstingen. In het Inca tijdperk was het niet toegelaten dat iemand honger of geen bestaansmiddelen had. De Inca’s waren gezonde mensen. Het feit dat ze geen suiker verbruikten waren ze niet dik en hadden ze een uitstekend gebit. Onder de inwoners heerste dan ook harmonie en iedereen wist wat en wanneer te doen. Hun eigendommen waren enkel spullen voor persoonlijk gebruik, zoals huisraad en kleding. Meubels hadden ze niet. Op de vloer legden ze tapijten gemaakt van de wol van lama of alpaca. Elkaar bestelen was zinloos en deuren werden nooit op slot gedaan. Wanneer de eigenaar van huis ging werd een stok voor de deur gezet. Toen de Spanjaarden later sloten aan hun deuren deden, wisten de Inca’s dat dit was uit vrees om bestolen te worden en zo begon hun haat tegen de Conquistadores. De Inca’s hadden geen geschreven taal, maar historische feiten en boodschappen werden doorgegeven via knopen in koorden. Getrainde lopers brachten deze boodschappen van stad naar stad, langs aangelegde wegen en over bruggen gemaakt van lianen. Deze wegen en bruggen vergemakkelijkten de invasie van Pizarro in 1533. Voor het echter zover was dat de Spanjaarden het Inca Rijk verpletterden, had de zoon van Pachacutec en zijn opvolgers, het Inca Rijk uitgebreid tot wat nu Zuid Colombia wordt genoemd, en verder tot midden Chili en Argentinië. De grote Inca periode duurde slechts honderd jaar… Wordt vervolgd… Linda Het Vergeten Verhaal 12-8-05 Hiram Bingham, een onbekende naam, ook voor mij. Tot ik zijn boek “The lost city of the Inca’s” las. Een gringo die in 1911 Machu Picchu herontdekte nadat hij vele jaren vertoefde in Peru en schreef over zijn ontdekkingen wat betreft de Inca’s. Ook mijn vorig verhaal was op dit boek gebaseerd. In datzelfde boek staat ook een hoofdstuk over de laatste “vergeten” Inca koningen. Dit verhaal intrigeerde Hiram en hij vertelt alles tot in de kleinste details. Het raakte mij diep toen ik het las en het bleef “hangen”… Het lijkt op een soapverhaal, maar dan echt gebeurd. Het vertelt dat wat Peruanen en Spanjaarden van toen en nu vergeten zijn of wilden vergeten. Dit verhaal wil ik met jullie delen. Het ware verhaal hoe de laatste Inca koning verdween… 1532, Cajamarca Peru. Francisco Pizarro keert voor de tweede keer terug naar het Zuid Amerikaans continent. Vergezeld van 168 man gewapend met zwaarden en lansen, 67 paarden, 2 kleine kannonen, 3 geweren en een paar kruisbogen. Hij deelt Atahualpa mee dat hij komt in “vrede” en nodigt hem uit voor een diner. Atahualpa, die net het grootste deel van de familie en entourage van zijn halfbroer Huascar vermoordde en Huascar zelf, gevangen genomen heeft. Tijdens het “diner” deelt Pizarro hem mee dat de paus zijn land “geschonken” heeft aan de Spaanse koning en dat alle inboorlingen zich dienen te onderwerpen aan het katholieke geloof. Atahualpa weigert, voor Pizarro de ideale gelegenheid om de vrede die hij beloofde, teniet te doen. Er ontstaat een wreed gevecht waarbij een paar duizend indianen, enkel gewapend met speren, bijlen en slingers, het leven laten. Atahualpa wordt op zijn beurt gevangen gezet, maar belooft Pizarro een kamer vol goud in ruil voor zijn vrijlating. (zie mijn verhaal De Mandango legende) Tijdens die gevangenschap geeft hij het bevel om Huascar te vermoorden, zodat hij bij zijn vrijlating de enige Inca koning zal zijn. Kort nadien beveelt Pizarro de executie van Atahualpa… 1533. Volgens de Spaanse kronieken verovert Francisco Pizarro Cusco en alzo het Inca Rijk. Atahualpa, de laatste Inca koning is dood. De Spanjaarden zegevieren. Maar. De volgende jaren zijn voor de veroveraars uiterst moeilijk. Manco Inca, een andere halfbroer van Atahualpa, vecht fel terug tegen Pizarro en in 1536 had hij een groot deel van de hooglanden terug gewonnen. Drie jaar later trekt hij zich echter noodgedwongen terug in de ontoegankelijke en nooit gevonden steden in de jungle, Vitcos en Vilcabamba. Francisco en zijn broer Gonzales Pizarro blijven hem najagen tot Francisco in 1541 vermoord wordt door de zoon en aanhangers van conquistador Diego de Almargo, die Francisco had laten ombrengen. Tussen de conquistadores is er nl. een grote strijd om de macht. Gonzales neemt op zijn beurt wraak en verslaat de moordenaars van zijn broer. Een handvol Spanjaarden waaronder Gomez Perez, kunnen ontsnappen en zoeken bescherming bij Manco Inca. In 1544 wilt de Spaanse koning, Charles de vijfde, niets meer te maken hebben met de wreedheden van Spaanse overheersers zoals de Pizarro’s. Hij wilt vrede met de inheemse bevolking. Wanneer Manco dit hoort stuurt hij Gomez Perez met een brief naar de Vicaris in Cusco, die op zijn beurt al hun “misdaden” vergeeft. Met deze boodschap komt Gomez aan bij Manco en ze besluiten terug te keren naar Cusco. Dit wordt echter verhinderd door een tragisch ongeluk. Tijdens één van hun gezamenlijke spelletjes ontstaat een woordenwisseling, waarbij Gomez Manco onopzettelijk doodt. Niemand keert terug naar Cusco. Gomez en de overige Spanjaarden worden door de indianen vermoord en hun lijken worden voor de gieren gegooid… 1545. De oudste zoon van Manco, Sayri Tupac volgt zijn vader op en regeert tien jaar zonder bloedvergieten. In 1555 biedt een sluwe nieuwe Vicaris Sayri Tupac een onderkomen aan in de vallei Yucay, een veel vruchtbaarder gebied dan de Cordillera Vilcabamba, die nog steeds onbereikbaar is voor de Spanjaarden. Belust op een beter leven, maar zeer tegen de zin van zijn kapiteins, gaat Sayri Tupac uiteindelijk met driehonderd volgelingen naar Cusco. Daar worden ze door de Vicaris vriendelijk ontvangen en hij biedt Sayri onderdak aan in één van de oude Inca paleizen. Twee jaar later sterft Sayri met de mededeling dat hij overleed aan een ziekte. Zijn drang naar luxe moest hij zwaar bekopen. Hij zou vergiftigd zijn… 1560. Titu Cusi, de halfbroer van Sayri neemt in Vitcos de Inca titel over en beweert twintig jaar na de dood van hun vader Manco, dat die in koelen bloede vermoord werd door Gomez Perez. Een raadsel dat nooit opgelost word… Vijf jaar later gaan pater Diego Rodriguez de Figueroa en zijn vriend pater Marcos naar Vitcos. Ze zullen proberen Titu Cusi te “bekeren”. Beide paters worden jarenlang door Titu uitgedaagd en getiranniseerd. Martin de Pando, de secretaris van Titu kan hem uiteindelijk overhalen en op 12-8-1568 laat Titu zich dopen. Er blijft echter geruzie tussen Titu en de paters, die op een dag een tempel in brand steken om de duivel te verdrijven. Titu ontaardt in woede en verdrijft pater Marcos uit Vitcos. Met pater Diego sluit hij terug vrede, gezien deze vele indianen geneest van ziektes. De volgende jaren wordt pater Diego een goeie vriend van Titu en uiteindelijk zijn adviseur. Maar alweer blijft het onheil niet uit… Een goudzoeker genaamd Romero wordt door Titu vermoord, waartegen pater Diego zich met klem verzet. De vriendschap schijnt voorbij en terug ontaardt een grote ruzie die toch uitgepraat wordt. Om hun herwonnen vriendschap te vieren geeft Titu een groot waterfeest dat verschillende dagen duurt. Het veelvoudig baden duurt voor de gezondheid van Titu veel te lang. Hij krijgt een longontsteking waar hij aan overlijdt… Pater Diego en Martin de Pando krijgen de schuld en worden wreed vermoord. Wanneer pater Marcos hoort van het lot van zijn vriend besluit hij terug te keren naar Vitcos. Hij verdrinkt echter in de rivier Urabamba. Dit gebeurt in 1571. En het verhaal gaat verder... Tupac Amaru, de jongste zoon van Manco Inca, volgt zijn broers op. Hij is echter geen wijs heerser, noch een goed soldaat. Wanneer zijn kapiteins een Spaans ambassadeur vermoorden, zendt Philips de tweede, de toenmalige koning van Spanje, de Spaanse kapitein Garcia naar de verborgen vallei om Tupac Amaru te arresteren. Deze kapitein is getrouwd met een Inca vrouw en weet daardoor binnen te dringen in het door Spanjaarden nooit betreden gebied. Na een lange zoektocht slaagt hij erin om Tupac te verdrijven uit zijn schuilplaats in de jungle en kan hem tenslotte samen met familie en volgelingen arresteren. Vicaris Francisco de Toledo beveelt hun executie. Tupac Amaru wordt onthoofd en zijn hoofd wordt tentoon gesteld in Cusco. Zijn vrouw wordt eerst voor zijn ogen levend verpletterd en ook zijn zonen overleven niet... 1572. Vicaris Francisco de Toledo schrijft geschiedenis. Hij is verantwoordelijk voor de verdwijning van de laatste Inca koning en vermoordt in de volgende jaren duizenden indianen die zich “Inca” noemen... Wordt vervolgd... Linda MACHU PICCHU 15 augustus 2005 Cusco. Half zes in de ochtend en op het station heerst er al een krioelende drukte. Backpackers, wachtend op de gelijknamige trein, verdringen zich in de kleine stationshal op zoek naar wat warmte. Buiten is het ijzig koud en er staat een snijdende wind die iedereen naar binnen dwingt. De trein die ons en de andere backpackers in vier en een half uur naar Machu Picchu brengt, is al dagen van tevoren volgeboekt. Hij is het enige vervoermiddel dat Aguas Calientes, het dorpje aan de voet van Machu Picchu, met de omringende wereld verbindt. Diep in de kraag van mijn poncho weggekropen zie ik, nadat de trein het station heeft verlaten, traag een ander Cusco aan de ramen voorbijtrekken. Een Cusco zonder luxe, met armtierige lemen woningen, stoffige onverharde straten en het altijd terugkerende beeld van hopen vuilnis waarin luizige honden en plakkerige varkens rondwroeten. Het duurt even voor de trein de top van de berg heeft bereikt en zich aan de andere kant, door het dal van de Vallee Sagrada naar zijn bestemming kan tuffen. Het beklimmen van de berg gaat zig-zagsgewijs, zodat de trein telkens enkele kilometer vooruit en dan weer achteruit moet rijden. Eens boven en de krottenwijken rond Cusco voorbij, verandert het landschap tot een indrukwekkende aaneenschakeling van bergen met en zonder sneeuw, groene valleien en een enthousiast stromende Urubambarivier die ons het eindpunt van de rit zal vergezellen. De koffie die in de piepschuimen bekers wordt rondgedeeld en waarvan we dachten dat hij gratis was, kost vier soles (+/- 1 €). Veel smaak heeft hij niet, maar hij is warm. Aan de andere kant van het gangpad zit een stel duitsers, veertigers. De vrouw voelt zich genoodzaakt om haar man voor te lezen uit hun duitstalige reisgids. In de taal van Goethe verliest Machu Picchu en de Incageschiedenis een groot deel van haar mystiek, en de rauwe hoekigheid van de taal gaat niet samen met de sacrale sfeer die het omringende landschap uitdraagt. Korte tijd later valt de vrouw in slaap. Haar kin zakt dieper en dieper naar haar borst toe en haar gespeelde waardigheid van voordien is nu helemaal zoek . Snurken doet ze nog net niet, maar bij elke uitademing blaast ze vervaarlijk uit als een opblaaspop waarvan het ventiel werd uitgetrokken. Met een licht gevoel van gene – de passagiers tegenover haar zijn intussen al monkelend aan het genieten van het geboden schouwspel – neemt haar man haar in zijn armen, in de hoop haar op die manier wakker te maken. Wakker worden doet ze niet maar ze nestelt zich behaaglijk met haar hoofd in zijn oksel en stopt met blazen. Het urenlang langzaam denderen van de trein activeert mijn blaas en terwijl ik me zwijmelend vasthoud aan de rugleuningen van de zetels baan ik me een weg naar het andere eind van de wagon. Een steward verspert de deur en deelt me mede dat vanaf nu de toiletten niet meer toegankelijk zijn omdat we zo dadelijk ter bestemming aankomen. Mijn blaas heeft hier geen boodschap aan. Knarsend en zuchtend komt de trein tot stilstand. In de wagon wordt het een gedrum van jewelste om als eerste buiten te raken. Ook ik pers me tussen de menigte, niet zozeer om als eerste een blik op de Machu Picchu te kunnen werpen, dan wel om gevolg te geven aan de niet aflatende roep achter mijn gulp. Voor één sol krijg ik een handjevol toiletpapier en toegang tot de betegelde mannenruimte, die zoals alle mannenruimten, stinkt naar urine en wanneer ik na gedane taak wil doorspoelen, merk ik dat de kraan potvast zit. Het toiletpapier gebruik ik om mijn handen af te drogen want ook een handdoek ontbreekt. Na tien maanden reizen zijn deze gebreken slechts tot futiliteiten geworden waarmee ik heb leren leven. Op het perron staan intussen, onder een ongenadige zon, witbleke en biggetjesroze gringo’s zich in te smeren met sunblockers en zonnecrème. Het dorp aan de voet van Machu Picchu, noemt zich Aguas Calientes naar de fosforhoudende warmwaterbronnen die zich aan het andere eind van het dorp bevinden. Het dorp teert op toeristendollars die toestromen in restaurants, hotels en het tot in den treure herhaald artisanaat. Aguas Calientes, een pretpark voor maag en smaakpapillen, maar voor de rest een chaotisch en karakterloos nest waar ik liefst niet langer blijft dan hoogstnoodzakelijk. Morgen staat het bezoek aan de archeologische site op het programma en vannacht verblijven we in het hostal El Viajero, het zoveelste met diezelfde inspiratieloze naam. Het is er goedkoop, de kamers zijn proper en het is tenslotte maar voor twee nachten. Op de tweede verdieping hebben we een kamer langs de straatkant en voor het raam hangt een kluwen van elektriciteitsdraden. Nieuwsgierig door het raam hangen kan met elektrocutie worden bestraft. Het is zaterdagavond en er is feest in het dorp ter gelegenheid van La Virgen die morgen wordt gevierd. Feest dat zoals gebruikelijk, synoniem is voor lawaai. Keiharde muziek en uitbundig gelach en gebral in de smalle straten. Gewoonlijk wordt dit vergezeld van toeterende auto’s maar Aguas Calientes blijft hiervan gespaard daar er buiten het spoor geen toegangswegen en aldus geen auto’s bestaan. 3.30 u. De kroegen zijn dicht, maar in de kamer naast de onze worden de feestelijkheden voortgezet. Geroep en dronkemanspraat dringen de kamer binnen alsof deuren en muren niet bestaan. Leeggoed wordt rinkelend op de gang gedumpt en deuren met een klap dichtgeslagen. Ik probeer toch te slapen en mijn kwaadheid naar de zuipende Peruanen te bedwingen. De volgende morgen verontschuldigd Alejandria, de uitbaatster, zich voor het gebeurde maar voegt er vergoelijkend aan toe dat het vandaag fiësta del Virgen is. Ik heb geen zin om het te begrijpen. Autobussen op weg naar de top van de Machu Picchu daveren voorbij met een wolk van vuilgeel stof in hun kielzog. Linda en ik kiezen er voor om te voet naar de top te stappen, een steile klim van om en bij de vijfhonderd meter. Het eerste stuk zijn we echter genoodzaakt om langs de stoffige openbare weg te lopen en de voorbij denderende bussen erbij te nemen. Eens aan de voet van de berg leidt aan de rechterkant van de baan een paadje ons naar een ander wereld. Een wereld van stilte en groen. En eens door het groen opgeslokt, begint ook de klim. Het pad geeft ons geen respijt en slingert uitgehakt, maar ook die bijten serieus in de kuiten. De plaatsen waar we even rust nemen bieden telkens een ander uitzicht, zowel op de vallei van de Urubamba als op de top en na anderhalf uur zien we in de verte de eerste ruines op de bergflank verschijnen. Na nog een half uur staan we voor de ingang van de grootste Inca site van het continent. Het is er druk, hele busladingen toeristen van over de ganse wereld verdringen zich aan de boleteria en het duurt even voor we deze flessenhals voorbij zijn. Op de heilige rots zet ik me naast Linda en laat al de indrukken die ik hier opdoe tot me doordringen. De stilte verdiept zich en wordt intenser. Woorden zijn teveel en kunnen toch niet beschrijven wat ik voel. Er komt wel een grote dankbaarheid over me. Een dankbaarheid om wat ik hier heb mogen ervaren, een gevoel dat ik nog een hele tijd met me zal meenemen. Het is late namiddag wanneer we besluiten om hier afscheid te nemen. Linda is moe en neemt de autobus naar beneden. Ik wil nu even alleen zijn en ga dezelfde weg te voet als ik gekomen ben, alleen doen nu mijn knieën pijn omwille van de steile afdaling. Na anderhalf uur ben ik terug in Aguas Calientes waar de toeristenkermis nog altijd aan de gang is. Alegria! Aimé